Pychosociaal probleem kind vaak onbehandeld

Eén op de vijf kinderen in de leeftijd van 1 tot 15 jaar heeft psychosociale problemen waarvoor ze niet worden behandeld.

Bij een kwart van die kinderen waren de problemen zo groot dat ze voor behandeling of begeleiding werden doorverwezen. De problemen komen vooral na het vijfde levensjaar aan het licht en zijn op hun hoogtepunt bij kinderen tussen 7 en 9 jaar.

In die leeftijdsgroep heeft bijna eenderde van de kinderen problemen thuis of op school. De kinderen zijn te angstig en teruggetrokken, of te agressief en druk, of ze worden gepest, hebben aandachtsproblemen op school, eetproblemen of zijn ontevreden over hun eigen uiterlijk. Het percentage mishandelde, seksueel misbruikte en verwaarloosde kinderen is ongeveer 2 in alle leeftijdscategorieën.

Dit blijkt uit een onderzoek onder ruim 6.700 kinderen door TNO Preventie en Gezondheid. Bij de jaarlijkse periodieke peiling in de jeugdgezondheidszorg is dit jaar voor het eerst de psychosociale gezondheid van de Nederlandse jeugd onderzocht. De onderzoeksgegevens zijn verzameld door jeugdartsen en verpleegkundigen die tijdens reguliere gezondheidsonderzoeken onder schoolleerlingen of op consultatiebureaus een door TNO opgestelde vragenlijst invulden. Zowel de kinderen als de ouders zijn ondervraagd. De vragenlijsten waren vooral gericht op de vroege opsporing van leer- en gedragsproblemen en emotionele klachten.

De TNO-onderzoekers hebben ook onderzocht hoe goed de jeugdgezondheidszorg (de schoolartsen en consultatiebureaus) de probleemkinderen er uit pikken. Dat doen ze redelijk goed, is de conclusie, maar onder de jongsten (tot 4 jaar) wordt een deel van de ernstige problemen niet gezien. De jeugdgezondheidszorg zou tot een meer gestandaardiseerde procedure moeten komen en er zouden meer mogelijkheden voor kortdurende behandeling moeten komen.

De psychosociale gezondheid van de kinderen is slechter in sterk verstedelijkte gebieden, bij kinderen die door één van beide biologische ouders worden opgevoed, bij Turkse en Marokkaanse kinderen en bij kinderen die onderwijs op VBO-niveau volgen.

Volgens de onderzoekers heeft 29 procent van de VBO-leerlingen moeilijkheden thuis, op school, met zichzelf, of met hun leeftijdgenoten. Onder Mavo- en Havo-leerlingen vonden ze aanmerkelijk minder problemen (14 procent), terwijl het percentage onder de leerlingen op het VWO echter weer hoger lag met 23 procent.