Politiek in Portugal is banale bezigheid

Morgen kiest Portugal een nieuw parlement. Maar het bezoek van de Oost-Timorese leider Gusmão en de dood van Fado-zangeres Amália Rodrigues overschaduwen de verkiezingen.

Zwaaiend staat hij langs de weg naar het vliegveld, in zijn hand een krant met een groot portret. João Gareiso (65 jaar) stemt morgen bij de parlementsverkiezingen op de communistische partij in Portugal (UCD), nooit anders gedaan trouwens. Naar verkiezingsbijeenkomsten is hij dit keer niet geweest. Liever staat hij hier om de Oost-Timorese leider Xanana Gusmão uit te zwaaien van zijn emotionele bezoek aan Portugal. ,,Dit raakt me op dit moment veel meer. Politiek in Portugal is een banale bezigheid geworden'', zegt Gareiso en wappert met zijn Gusmão-foto.

Morgen moeten 8,8 miljoen Portugese kiezers hun stem uitbrengen in de verkiezingen. Maar de aandacht in Portugal werd de afgelopen dagen vooral in beslag genomen door kwesties die vooral de emotionele snaar van de natie raakten. Nadat eerst verzetsleider Gusmão van Portugals onder de voet gelopen ex-kolonie als een held was binnengehaald, werd de aandacht opgeëist door het onverwacht verscheiden van Amália Rodrigues (79), dé stem van Portugals melancholieke Fado-muziek en daarmee de vertolkster van een belangrijk deel van de nationale identiteit.

De verkiezingscampagne eindigde in drie dagen officiële rouw, wat vooral menig campagne-leider in oppositiekring tot wanhoop dreef. Hoe was er nog een serieuze verkiezingsstrijd te voeren als de dagen vooral werden gevuld met officiële ontvangsten en dito uitvaart waar vooral de demissionaire socialistische regering de hoofdrol speelde?

De verkiezingen draaien dan ook vooral om de vraag of de socialistische lijsttrekker en premier António Guterres er deze maal in zal slagen de absolute meerderheid voor zijn partij te behalen. Die meerderheid is volgens Guterres nodig om een aantal radicale herzieningen van de belastingen en de gezondheidszorg door te voeren. Volgens de peilingen is er een goede kans dat Guterres zijn doel bereikt. Met zijn gematigde midden-koers kan Guterres op een grote populariteit rekenen. Bedaagd, vriendelijk en met een bescheidenheid die door zijn tegenstanders als ,,arrogant'' wordt betiteld, spreekt Guterres aan bij een groot deel van Portugals groeiende midden-klasse.

Het ging de afgelopen vier jaar bovendien goed met Portugal. De nationale neiging tot somberen ten spijt was er zelfs reden tot enige trots en zelfappreciatie: Portugal wist zich zowaar in de kopgroep van de Europese landen te plaatsen die straks de monetaire unie vormen, de vorig jaar gehouden Wereldexpositie in Lissabon plaatste het land in de internationale aandacht en José Saramago won de Nobel-prijs. Dat Saramago geen lid is van de socialisten, maar een doorgewinterd communist deed daarbij minder ter zake.

Opmerkelijk is dat op werkelijk principiële thema's de regerende socialisten twee pijnlijke nederlagen moesten incasseren. Ook in Portugal sloeg de referendum-koorts toe. De uitslagen konden als redelijk rampzalig worden betiteld. Een verregaande regionalisering waar de regering zich een warm voorstander van had betoond werd naar de prullenbak verwezen. En het referendum over abortus eindigde in een chaos – niet in de laatste plaats omdat de actief katholieke Guterres zich tegenstander betoonde, terwijl een meerderheid van zijn partij voor was. Twee derde van de kiezers kwam niet op dagen en de liberalisering werd met een kleine meerderheid van de hand gewezen, waarna de zaak maar op de lange baan werd geschoven.

Ook slaagde de regering er niet in Portugals voortgaande juridische crisis te bezweren: de rechtbanken in het land zijn dermate overbelast met het verwerken van beroepszaken dat een algehele ineenstorting van het rechtssysteem dreigt. Evenmin werden noodzakelijke hervormingen in Portugals gezondheidszorg doorgevoerd.

Van enige geduchte politieke concurrentie is evenwel geen sprake. De concurrerende PSD, rechts van het midden, is het vertrek van voormalig aanvoerder en premier Cavaco Silva nog steeds niet te boven.

Opvolger Marcelo Rebelo de Sousa, door de Portugese grootondernemer Belmiro de Azevedo profetisch uitgemaakt voor een clown die het niet lang zou uithouden, moest opstappen nadat zijn samenwerking met de rechtse Partido Popular in een poel van schandalen eindigde. Zijn opvolger is de relatief jonge José Durão Barroso (43), die zijn politieke loopbaan ooit startte als maoïst, zich bekeerde tot de sociaal-democraten en in het laatste kabinet van Cavaco respect wist af te dwingen als minister van Buitenlandse Zaken. Als lijsttrekker bleek Durão helaas te lijden aan een lastige vorm van campagne-angst: zodra er gezoend of gedanst moest worden zocht de kandidaat een goed heenkomen.

De strategie van de PSD lijkt er op gericht om de kiezers uit de middenklasse bij de socialisten weg te lokken met beloften op het gebied van de sociale voorzieningen. Maar de toespraken waarin Durão Barroso de stemmers moest lokken vielen vooral op door hun saaiheid.

Ex-premier Cavaco Silva, wiens schaduw nog altijd merkbaar over de PSD hangt, werd van stal gehaald om de verkiezingen weer enige pit te geven. Cavaco Silva herinnerde er aan dat bij een absolute meerderheid de socialisten een ongezonde hoeveelheid macht naar zich trekken: het zou de eerste maal in Portugals jonge democratie zijn dat zowel de president en de regering, net als het parlement en de grote steden in handen van een en dezelfde partij komt.

Of de waarschuwingen van de ex-premier veel gewicht in de schaal leggen, valt sterk te betwijfelen. Zowel de Europese verkiezingen als de vorig jaar gehouden gemeentelijke verkiezingen eindigden in een glorieuze zegen voor de socialisten. De vraag is dan ook vooral hoe groot de overwinning dit maal zal worden.