Kritische media zijn onontbeerlijk

Een beoordelingsfout is snel gemaakt. Begin augustus kreeg ik een uitnodiging voor de vijfde Nederlands-Duitse conferentie te Duisburg. Onder auspiciën van Jozias van Aartsen en zijn Duitse collega Joschka Fischer zouden vertegenwoordigers van overheden, het bedrijfsleven, vakbonden en de wetenschap met elkaar in discussie gaan over de gevolgen van de nakende kennismaatschappij voor Europa.

Om persoonlijke redenen zag ik mij genoodzaakt daags voor de conferentie af te zeggen. Dat bleek geen gelukkige keuze. Ik bleek namelijk een zeer opmerkelijke toespraak van onze minister van Buitenlandse Zaken te hebben gemist.

Deze deed nogal wat stof opwaaien door te stellen dat het buitenlandspolitieke beleid zich niet te veel moest laten leiden door tv-beelden van op de vlucht geslagen massa's en door de onze emoties bespelende CNN's van deze wereld. Deze brachten immers nieuws met een hoog soap-gehalte. Volgens Van Aartsen was een meer rationele en afgewogen benadering noodzakelijk. De media, zo is Van Aartsens stelling, kunnen licht dit streven dwarsbomen.

Het ligt voor de hand dat deze, nogal cynisch aandoende, uitlatingen voor beroering zorgden. Het valt niet te ontkennen dat de media, door het onder de aandacht brengen van brandhaarden ver weg, de publieke opinie dwingen stelling te nemen tegen al te groot onrecht. Dat dit de ruimte voor stille diplomatie, die soms inderdaad effectiever kan zijn (denk bijvoorbeeld aan de voorzichtige hervormingskoers van Khatami in Iran, die gebaat is bij een constructieve dialoog), ernstig beperkt, is niet verwonderlijk. De nijvere pogingen van Van Aartsen om een wapenembargo tegen Indonesië te voorkomen, maakten duidelijk wat de minister nu precies voor ogen stond.

Toen echter een vertegenwoordiger van de door Van Aartsen zo verfoeide media onder onduidelijke omstandigheden werd vermoord (door Indonesische militairen wellicht, zoals de enige ooggetuige beweert), schreeuwde onze minister moord en brand en eiste, voor de camera's, een onafhankelijk onderzoek. Kon hij niet via een andere weg met de Indonesische overheid communiceren dan via de door hem gehekelde media? Even leek het erop dat de werkelijkheid inderdaad een soap opera was geworden.

Bovenstaande analyse, echter, doet onze minister geen recht. Enige tijd later sprak Van Aartsen de wens uit dat in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties onder bepaalde omstandigheden een veto van een permanent lid moest kunnen worden overruled. In het aangezicht van schrijnende humanitaire omstandigheden zou de internationale gemeenschap niet langer werkeloos hoeven toezien.

Wat Van Aartsen in feite met zijn voorstellen beoogt, is het voorkomen van een nieuw Kosovo. Met andere woorden, humanitaire interventie moet in de praktijk mogelijk zijn, zonder dat een coalitie van machtige, westerse landen daarvoor het internationale recht met voeten hoeft te treden. Een dergelijk streven is nuttig en noodzakelijk.

Het zou ertoe moeten leiden dat democratische nationale regeringen worden verlost van een zeer pijnlijk dilemma. Als zich ergens op de wereld een humanitaire noodsituatie voordoet, worden regeringen gemangeld tussen een om ingrijpen schreeuwende publieke opinie, en het internationaal recht, dat het soevereniteitsbeginsel als eerste gebod heeft. Deze situatie wordt nog verder gecompliceerd door conflicterende commerciële belangen, ongelijke machtsverhoudingen tussen de verschillende landen en de pijnlijke erfenis van het kolonialisme.

Door beslissingen omtrent ingrijpen te verleggen naar supra- en internationale organisaties, en zo een deel van de eigen verantwoordelijkheid af te staan, wordt dit dilemma iets draaglijker gemaakt. Als Van Aartsens lovenswaardige voorstel het zou halen, zou dat wellicht een vergroting van de slagvaardigheid van de internationale gemeenschap betekenen. Jammer alleen dat eerst Kosovo en Oost-Timor nodig waren om überhaupt tot een voorstel te komen.

Het is slechts een paar jaar geleden dat Hans van Mierlo door bijkans het hele Nederlandse establishment werd weggehoond toen hij de komst van een Rapid Reaction Force bepleitte. Nu is het nota bene een VVD-minister die met zo op het oog progressieve voorstellen komt. Rechts en links vinden elkaar in het knusse midden. Het enige wat Van Aartsen nog rest is te komen tot een beter begrip voor de rol van de media, hoezeer ze de politiek ook voor de voeten kunnen lopen. In een wereld waar de overheid terugtreedt ten gunste van multinationals en supranationale overheden – die de burger geen verantwoording verschuldigd zijn – zijn kritische media onontbeerlijk.

Of de CNN's van deze tijd hun rol met glans vervullen, is een andere zaak, die nadere aandacht behoeft.

Jacek Magala studeert sociologie.