INJECTIE KAN OPERATIE AAN CARPALE TUNNEL OVERBODIG MAKEN

Een injectie met corticosteroïden nabij het polsgewricht maakt bij de helft van de behandelde patiënten een veel ingrijpender operatie vanwege het carpale tunnelsyndroom (een polsblessure die tot de RSI-aandoeningen behoort) overbodig. Dit blijkt uit een onderzoek van neurologen van het Medisch Centrum Alkmaar en het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam (British Medical Journal, 2 oktober).

Het carpale tunnelsyndroom ontstaat als de vinger- en handheffende en -buigende pezen geïrriteerd en ontstoken raken en dikker worden. Die pezen passeren allemaal de tunnel aan de handwortel (carpus, pols) die wordt gevormd door de polsbeentjes en een peesplaat die die beentjes bij elkaar houdt. In verdikte toestand knellen die pezen de zenuwen af die ook door die carpale tunnel van arm naar hand lopen. Dat veroorzaakt een zeurende pijn.

Het carpale tunnelsyndroom is een van de aandoeningen die tot de repetitive strain injuries (RSI) wordt gerekend. Vooral vrouwen in de overgang krijgen er last van en hebben dan pijnlijke hand(palmen), polsen en armen. De aangedane hand kan gevoelloos worden en verliest kracht.

Patiënten moeten grote krachten op de pols vermijden en ook geen werk verrichten waarbij de handen voortdurend naar boven getrokken staan ten opzichte van de onderarm. Een injectie met corticosteroïden in of nabij de carpale tunnel brengt tijdelijk verlichting, zeggen de medische handboeken tot nu toe. Uiteindelijk is het operatief klieven van de peesband die aan de binnenzijde de polsbeentjes bijeen houdt de methode om de tunnel meer ruimt te geven en de beknelde zenuwen blijvend te ontlasten.

Neurologen in Alkmaar hadden al jaren de gewoonte om corticosteroïden niet in de carpale tunnel te spuiten. zij spoten ook niet in de spieren van de onderarm nabij de tunnel, wat wel gebeurt, maar in het onderarmgebied vlak voor de carpale tunnel. Zij hadden de indruk dat hun injecties een veel blijvender genezing boden dan de als tijdelijke remedie beschouwde injecties in de carpale tunnel. Ze besloten hun methode te testen in een goed opgezet onderzoek.

Patiënten die aan de studie meededen kregen (door randomisatievoorwaarden bepaald) een injectie met corticosteroïden en (verdovend) lidocaïne of met alleen lidocaïne. De neurologen die de injecties gaven en de patiënten wisten niet of er wel of geen corticosteroïde in de spuit zat. Wanneer de klachten aanhielden, verergerden of terugkwamen konden de patiënten worden geopereerd.

Het toezichthoudend comité stopte de studie toen 30 mensen met en 30 mensen zonder corticosteroïden waren geïnjecteerd. Van de 30 corticogeïnjecteerden waren een jaar later 15 mensen nog niet geopereerd, terwijl onder de 30 mensen met placeboinjecties er maar twee geen secundaire behandeling nodig hadden.

De neurologen opperen als idee dat injecties vlak bij de carpale tunnel minder risico hebben op het aanprikken en beschadigen van de zenuwen. Corticosteroïden op de Alkmaarse prikplaats kunnen ook de vaak daar optredende zwelling doen verminderen, wat ook aan de vermindering van de pijn kan bijdragen.

(Wim Köhler)