HEKEL AAN DE MACHT

De onderwijsidealen van Kees Boeke zijn tegenwoordig gemeengoed. Of dat aan hem ligt is de vraag.

Koningin Beatrix leerde er boetseren, prinses Irene mocht er dansen en muziek maken en prinses Margriet ontwikkelde er haar zorgzaamheid. Over bekendheid heeft de Werkplaats Kindergemeenschap - zeker sinds de Oranjes er na de oorlog hun entree maakten - nooit te klagen gehad.

Toch heeft de school, het geesteskind van Kees Boeke (1884-1966), het nooit verder geschopt dan één vestiging, in het villadorp Bilthoven. Kees Boeke schiep daar aan het begin van deze eeuw zijn ideale samenleving, waar leerlingen en leraren gelijkwaardig waren, creatieve vakken even waardevol waren als leervakken en morele verantwoordelijkheid voor elkaar vanzelfsprekend was. Als kinderen zich konden ontplooien en individuele verantwoordelijkheid leerden dragen, zou de wereld er op den duur beter uitzien.

Vergeleken met Maria Montessori lijken de sporen die de christen-anarchist Boeke heeft nagelaten, dun. Maar zijn ideeën zijn opvallend levend. Zo levend, dat oud-leerlingen onlangs de stichting Kees Boeke Centrum hebben opgericht. De stichting wil het gebouw in Bilthoven aankopen waar hij en zijn vrouw, Beatrice (`Betty') op 12 juli 1929 hun eigen school begonnen. Volgende week besluit de gemeente aan wie het gebouw wordt gegund.

In navolging van de utopist Boeke wil het centrum zich inzetten voor een ``rechtvaardiger, toleranter en respectvoller samenleving''. Volgens de initiatiefnemer van de Stichting, voormalig Werkplaats-leerling H. van Rijn, zit thans een generatie in het zadel die in de jaren zestig heeft geleerd zich te ontplooien en inspraak te hebben, maar niet weet hoe dat in grote organisaties (scholen, bedrijven) moet.

Te oordelen naar de huidige onderwijsidealen – zelfstandig werken, integratie van vakken, gelijkwaardigheid tussen leraar en leerling, en aandacht voor kunstzinnige vorming – hebben Boekes ideeën wortel geschoten. Maar het is de vraag of dat de vrucht is van zijn inspanningen of eenvoudigweg een resultaat van de tijdgeest.

De invloed van Boeke is niet terug te zien in lesmateriaal of in onderwijsmethoden die zijn naam dragen, zoals bij zijn tijdgenoot Maria Montessori. Als Boeke invloed had, was dat via personen, die met hem of zijn Werkplaats in aanraking kwamen. De eerste minister-president na de Tweede Wereldoorlog, W. Schermerhorn, was bijvoorbeeld een goede bekende van Boeke, evenals G. Bolkestein, voormalig minister van Onderwijs.

STUDIEHUIS

C. Visser `t Hooft, een van de architecten van het onlangs ingevoerde Studiehuis in de hoogste klassen van Havo en VWO, was dertien jaar lid van de schoolleiding van de Werkplaats. Zij zegt dat ze er ideeën opdeed die haar later als adviseur van het ministerie van Onderwijs van pas kwamen. Zo begeleidde ze in 1968 en 1969 leerlingen in een athenaeum-eindexamenklas die zelf bepaalden wat ze wilden leren. Onder het motto `wij leren voor het leven' bestudeerde de klas het thema `zee' vanuit de geschiedenis, de schei- en natuurkunde en de literatuur. Volgens Visser `t Hooft bracht de klas het er bij het eindexamen ``heel goed'' van af.

Inmiddels is het zelfstandig werken zonder de dominante aanwezigheid van een leraar volgens Visser `t Hooft een internationale trend. Maar of dat een gevolg is van Boekes invloed, is de vraag. ``Ik houd het er op dat hij een visionair was. Voor wat hij destijds bepleitte, is de tijd nu rijp.'' De ironie wil dat een van overheidswege opgelegd systeem als het Studiehuis, de christen-anarchist Boeke hoogstwaarschijnlijk een gruwel zou zijn geweest.

Historisch-pedagoog Hans-Jan Kuiper onderzocht in zijn proefschrift `De wereld als Werkplaats' (1992) de pedagogische ideeën van Boeke en kwam tot de conclusie dat zij meer een ``collage'' vormen van bestaande denkbeelden dan een eigen theorie. Het zelf doen van taken en zelf nakijken is evengoed `typisch Dalton' te noemen als `typisch Boeke'. Het bij elkaar voegen van drie klassen in een stamgroep is ook terug te vinden bij de Jenaplan-school en in het spelenderwijs leren herkent Kuiper Montessori. ``Boeke had eigenlijk geen duidelijke pedagogische opvatting'', zegt hij ,,hij had vooral een christen-anarchistische weerzin tegen de staat.''

Het besluit om zijn eigen school te beginnen werd Boeke ingegeven door een belastingherziening, niet door een pedagogisch ideaal. Het schoolgeld werd na 1926 geïnd via de gemeentebelastingen. Omdat Boeke die weigerde te betalen – uit protest tegen de defensie-uitgaven – voelde hij zich gedwongen zijn kinderen van de Montessorischool te halen en ze zelf les te geven. Hij begon in 1926 in de huiskamer met zes kinderen. Het groeide uit tot 370 kinderen in 1950.

chocoladefabriek

De leraardichtheid was hoog, in 1950 was voor iedere acht kinderen een leraar beschikbaar. Ook het `stadswinterkamp', een uitstapje naar Amsterdam waar de kinderen bouwkundeles kregen aan de grachten en 's avonds toneelvoorstellingen bijwoonden, waren privileges die andere scholen niet hadden. De luxe dankte de school aan de winstgevende chocoladefabriek die Betty Boeke (telg uit de schatrijke Britse Quakerfamilie Cadbury) achter zich had en aan de welgestelde omgeving van de school. ``Dat kon dus moeilijk grote navolging krijgen'', zegt Kuiper.

Terwijl Boekes pedagogische ideeën in Nederland niet uniek waren, was de organisatiestructuur van de Werkplaats dat wel. Boeke nam het principe van sociocratie (besluitvorming bij consensus) over van Betty's Quaker-familie. Democratie is oneerlijk omdat er altijd een grote groep is die haar zin niet krijgt, redeneerde Boeke. Beter vond hij het om net zo lang door te praten tot iedereen het eens was.

Boeke had een hekel aan macht en aan gehoorzaamheid. De leraar (`medewerker') moest bijvoorbeeld de leerlingen (`werkers') niet tot stilte manen, maar een hand opsteken. De afspraak was vervolgens dat wie een opgestoken hand zag, ook zijn of haar hand zou opsteken. Omdat tevens was afgesproken dat praten en tegelijkertijd een hand opsteken niet kon, werd het stil in de klas zonder dat een machtswoord werd gesproken.

Volgens Kuiper ondervonden leerlingen dat bij sociocratische besluiten toch vooral het charismatisch leiderschap van Boeke zelf de doorslag gaf. Candia Boeke, de tachtigjarige dochter van Kees en Betty Boeke, zegt dat zij vaak moeite had met haar vaders manier van leiding geven. ``Mijn vader voerde de sociocratie zo ver door dat zelfs de kleuters hun eigen besprekingen hielden. Iedereen moest inspraak hebben. Maar in de praktijk bleek dat we toch niet tegen hem op konden'', zegt ze. Het was geen autoriteit die haar vader uitoefende, maar ``morele pressie''. ``Hij had een ideaal van hoe de mens moest zijn dat niet klopte met de realiteit. Hij vergat de agressie, de woede en de onvrede in mensen.''

SCHOOLORGANISATIE

In de organisatie van de school bleek de sociocratie uiteindelijk geen succes. Kees Boeke drukte begin jaren vijftig de benoeming door van zijn opvolgster, Tine Lambert, tegen de zin van andere bestuursleden. ``Hij had zelf niet in de gaten hoezeer hij met zijn charisma zijn ideeën aan anderen oplegde'', zegt Visser 't Hooft. Lambert regeerde de school volgens haar als een `despoot'. Pas onder Lamberts opvolger, Berend Teunissen, werd de besluitvorming bij de Werkplaats democratischer. Tegenwoordig merken de 1450 leerlingen van de school, die basis- en middelbaar onderwijs biedt, nog maar weinig van Boekes idealen.

G. Endenburg, van 1943 tot 1948 `werker' op de Kees Boekeschool en mede-initiatiefnemer van het Kees Boeke-centrum, betreurt dat de sociocratie op de Werkplaats is afgeschaft. Hij gelooft er nog altijd heilig in. Zijn bedrijf, Endenburg Electrotechniek (120 werknemers) in Rotterdam, wordt sociocratisch bestuurd. Hij gaf cursussen bij Shell en Philips en merkt overal om zich heen ``de behoefte aan een andere manier van samenwerken''. In zijn bedrijf bepalen `kringen' van werknemers het beleid. Soms hakt hij als directeur wel knopen door, zegt hij ``maar binnen de grenzen die we met elkaar afspreken.''

Na zijn afscheid van de Werkplaats vertrok Boeke naar het Midden-Oosten om een school op te zetten voor joodse en Arabische kinderen. Maar overal waren er Palestijnse ontheemden waren die de joden haatten. ``Het werd een tragische mislukking'', zegt zijn dochter Candia. Aan het einde van zijn leven zag Boeke in dat zijn twee grote idealen: een geweldloze maatschappij en de optimale ontplooiing van het individu, niet met elkaar te verenigen waren. Dat leidde tot een zware depressie. ``Aan het verwerken van de realiteit is hij nooit toegekomen'', zegt Candia Boeke. ``Hij is verdrietig gestorven.''