Even terug

Soms is het een heuglijke gebeurtenis, dan weer een droeve plicht die ons roept. Ik bedoel, van tijd tot tijd is er een aanleiding om ons landelijk leven in Frankrijk te onderbreken voor een kort bezoek aan wat de kolonialen vroeger patria noemden, Nederland.

We rijden over de A1, die saaie lineaalrechte autoweg naar het noorden, dwars door de buik van Picardië. Het regent. Er passeert ons pijlsnel een opgevoerde Clio die een plens buiswater over onze voorruit gooit. ,,Kijk nou zo'n geitenbreier eens!'' roept Simone verontwaardigd. Maar dat moet ik corrigeren. ,,Pas op'', zeg ik, ,,dit is nog Frankrijk. Dat woord verstaan ze niet.''

Op naar Nederland.

Bij Hazeldonk komen we Nederland binnen. Je merkt dat aan de bewegwijzering. Er zijn hier geen afstanden meer. Je kunt Rotterdam, Breda en Utrecht zo uit het raam plukken.

Voorbij Rotterdam begint het. Wat toetert en knipperlicht die man achter ons? O, hij wil dat we de andere baan nemen en passeert dan met zijn wijsvinger opgestoken.

,,Opgepast'', zeg ik nu, ,,dit is gidsland Nederland. Je weet wel, van de tolerantie en de internationale regels. Dat we daar goed aan denken.''

In Simone's geboorteplaats gaan we naar Scheveningen, uit nostalgie. Als geschrokken kinderen staan we op het Gevers Deynootplein, eens een eerbiedige ruimte tegenover de oude chic van het Kurhaus.

Nu heeft een projectontwikkelaar hier mogen huishouden en het dierbare monument aan zee aan de landzijde ingemetseld als een pokdalige bedelaar die de hand van de prinses wil kussen.

Terug naar de residentie. Ik zoek een invalidenparkeerplaats. Als invalide voer ik achter de voorruit de internationale invalidenparkeerkaart, een gestileerde rolstoel. We passeren wel vijftien invalidenplaatsen, alle bezet door niet-invaliden.

Op de Buitenhof ten slotte is er een, maar wel half bezet door een auto met draaiende motor en een man en een vrouw op de voorstoelen. Simone stopt er schuin achter en zegt: ,,Ga jij maar even vragen aan die man of hij de plaats wil afstaan.'' Ik stap uit en buig voor de portierruit van de bestuurder. De ruit zakt en ik zeg: ,,Zou u deze plaats aan een invalide willen afstaan?''

De man trekt een grimas en kijkt naar de vrouw naast hem, die uit een plastic beker een milkshake opzuigt. ,,In-va-li-de, in-va-li-de'', herhaalt hij treiterig. ,,Jij bent helemaal niet invalide, ouwe lul. Maar wacht, dan zal ik je even invalide maken.''

,,Geef hem een jetser, Wim'', roept de vrouw en lurkt haar milkshake leeg. Ik wacht dit alles niet af en trek me in mijn auto terug, maar kan het niet laten mijn goede hand op hun autodak te laten neerkomen. In de auto sluiten we de portieren, terwijl de man zijn achtervolging beëindigt door over onze motorkap gebogen te roepen: ,,Kom er eens uit als je durft.''

,,Ach meneer'', zegt Simone, ,,hij kan het niet helpen; hij heeft een herseninfarct gehad.''

,,Laat maar'', zeg ik, ,,dat helpt niet, we zitten weer in Nederland.''

De man heeft inmiddels onze ruitenwissers te pakken en dreigt ze van de voorruit te trekken. ,,Komt er eens uit als je durft!''

Nu stopt er een politieauto, waar twee jonge meisjes uitstappen, beiden in uniform en met een pistool in holster op de heup. Onze onverlaat klampt ze aan en begint een verhaal met wilde gebaren. Hij wijst naar mij en ze knikken dat ze het begrijpen. De langste van beiden doet een stap achteruit, trekt een notitieboekje en noteert mijn Franse kenteken.

De kleinste wenkt mij naar buiten. ,,Uw rijbewijs'', gelast ze. Ik overhandig het. ,,Woont u nog in Heilo?'' wil zij weten. Het is een Frans rijbewijs.

,,Heilo is de geboorteplaats'', onderwijs ik. Ze vouwt het weer dicht en zegt streng: ,,U mag meneers auto niet vernielen.'' En ze wijst op de onverlaat die breed lachend tegen zijn auto leunt. De beide agenten stoppen het verkeer voor de onverlaat en zwaaien hem vriendelijk uit.

Gelukkig, de grens is niet ver. We rijden snel door België, passeren enkele overjarige douaneloodsen en zien dan in de berm een bord staan: Bienvenue en France.

We kijken elkaar aan. We zijn weer thuis.