Een neger op de racefiets

Vandaag overkwam me iets wat me nog nooit overkomen is. Zoals op iedere werkdag leg ik de 24 kilometer tussen mijn woon- en werkplaats af op mijn racefiets. Halverwege word ik ingehaald door een donkere medelander, eveneens op de racefiets, en net als ik, gestoken in een racetenue. Ik haak aan. Hij heeft een krachtige, maar stoemperige links-rechts-links-rechts pedaaltred. Een soepele rouleur is hij niet, maar hij fietst wel hard. Achter zijn brede rug kom ik op adem.

Ik heb de afgelopen dertig jaar heel wat racefietsen versleten, leg zo'n 11.000 kilometer per jaar op de fiets af, ben lid geweest van verscheidene ren- en tourverenigingen, heb vele tourtochten gereden, maar nooit kom ik zwarte mensen op racefietsen tegen. Bij de wielervereniging waar ik lid van ben, rijden alleen witten.

Het ligt er niet aan dat ik in het oosten van het land woon. Fietsvrienden uit West-Nederland kennen slechts één donkere wielrenner: de zwarte van de Ronde Hoep. Hij fietst vaak rond de gelijknamige polder ten zuiden van Amsterdam. Hij is een echte donkere zwarte neger en cultiveert zijn `zwarte wielrennerschap' door in een zwart tenue rond te rijden op een zwarte fiets.

Ik verwonder ik me er al jaren over dat wielrennen zo'n blanke sport blijft. Waarom doen er aan wielerklassiekers, rondes als de Tour de France, wereldkampioenschappen en Olympische Spelen zelden zwarten mee? Wedden dat er bij de wereldkampioenschappen wielrennen in Italië, dit weekend, niet één zwarte wielrenner in het peloton meerijdt. Afgezien van het fenomeen Major Taylor, die een eeuw geleden wereldkampioen sprint werd, was alleen de Amerikaan Nelson Vails een zwarte wielrenner van formaat. Hij deed in 1984 mee aan de Olympische Spelen, zonder veel resultaat overigens.

De wielrennerij is de afgelopen decennia gemondialiseerd, maar is een blanke aangelegenheid gebleven, hoewel er in nieuwe wielerminnende landen genoeg zwarten wonen. Ze blinken uit in tal van sporten, maar waarom niet in wielrennen? Alle hypothesen die ik over dit opvallende verschijnsel ontwikkeld heb, heb ik verworpen.

Hypothese 1: het is een kwestie van inkomen. Een racefiets is duur en zwarten behoren tot de lage inkomensgroepen. Maar sinds de wielrennerij bestaat, komen de beste wielrenners uit lage inkomensgroepen. Erik Breukink is het enige rijkeluiszoontje dat het ver geschopt heeft in de wielrennerij. Om een groot wielrenner te worden moet je kunnen afzien en lijden, en dat moet je geleerd hebben. Daarom komen veel goede wielrenners al sinds jaar en dag uit landen en sociale milieus waar mensen het niet breed hebben. Maar waarom dan niet uit gekleurde milieus?

Hypothese 2: zwarten doen weinig aan sport. Onzin, want er zijn veel sporten waarin zij uitblinken. Kijk maar naar atlethiek, voetbal, basketbal, volleybal en honkbal. Alleen bij de wintersporten ontbreken ze categorisch. Om begrijpelijke redenen. Maar als ze zoveel aan sport doen, waarom dan niet aan wielrennen?

Hypothese 3: hun specifieke lichaamsbouw maakt hen minder geschikt voor wielrennen. Ze zouden te licht of te zwaar gebouwd zijn. Maar onder blanke wielrenners heb je ook lichter en zwaarder gebouwde sporters. De een klimt beter, de ander sprint beter. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat het een kwestie van lichaamsbouw is. Ter illustratie een anekdote van oud-wielrenner Gert-Jan Theunisse. Die hield in zijn goeie jaren eens een trainingskamp in Zuid-Afrika (waar hij kon logeren bij een nicht). Daar kon je immers, terwijl het hier winter was, lekker in de zon fietsen over prima geasfalteerde wegen. Terwijl Theunisse daar flink aan het trainen was, kwam een jonge negerjongen hem op een bakkersfiets achterop rijden. Theunisse vond zo'n `plakker' wel aardig, want hij was benieuwd hoe lang hij zou blijven hangen. Het terrein was behoorlijk geaccidenteerd, ze gingen heuvel op heuvel af, maar de jongen hoefde niet te lossen. Ook niet als Theunisse, de jongen dollend, het tempo heuvel op opschroefde. De jongen gaf geen krimp. Ineens was hij hem kwijt. Achteromkijkend zag hij dat de jongen was afgeslagen. Hij zwaaide nog en gebaarde dat hij naar een klant moest om brood te bezorgen. Overigens, veel goede wielrenners zijn vroeger bakkers- of slagersknecht geweest. Neem Peter Post. En de kampioen van Colombia waarover Garcia Marquez ooit een prachtig boekje schreef. Of postbode.

Het tempo van de zwarte man die voor mij fietst, zakt flink terug als er een viaduct opduikt. Ik ga naast hem fietsen en vraag hem of hij weet waarom er zo weinig zwarten op racefietsen rondrijden. Alle hypothesen die ik zelf al bedacht en verworpen had, leg ik hem voor. Ook hij wijst ze af. De enige verklaring die overblijft is: `Zwarte mensen houden niet van fietsen; ze vinden atletiek en balsporten leuker.' Hijzelf doet veel aan sport, maar hij houdt ook niet van fietsen. De racefiets waarop hij rijdt en de fietskleren die hij aan heeft, heeft hij geleend. Een auto had hij niet en hij moest naar een vriend die moeilijk per openbaar vervoer te bereiken was.

Zijn verklaring dat zwarten niet wielrennen omdat ze niet van fietsen houden is me te veel een cirkelredenering. Wie heeft er een betere verklaring? Waarom zie je bijna nooit zwarte Nederlanders op racefietsen, of meer in het algemeen, waarom fietsen allochtonen zo weinig? Grote steden als Amsterdam investeren in miljoenen in fietsvoorzieningen, maar vrezen dat die straks – als de helft van de stadsbevolking uit allochtonen bestaat – niet gebruikt worden.

Even verderop, tijdens het steile klimmetje de Waalbrug op waar de wind ineens op kop staat, lost mijn zwarte, tijdelijke fietsmaat.