Dorp

Vraag hier in het café naar de generaal, en ze beginnen allemaal. Hoe hij stram in de kerk zat, niemand durfde naast hem te gaan zitten, `het was alsof er glas om hem heen stond'. Hoe hij voor zijn mongoloïde dochtertje Anne alles losliet, in het rond danste en op zijn dijen kletste. Hoe zijn vrouw Yvonne, toen hij van 1946-1958 ambteloos burger was, in het dorp boodschappen deed, zo zuinig mogelijk. Hoe hij in de zomer van 1958 vertrok om Frankrijk opnieuw te redden: nu van de Algerijnse Ultra's en de dreigende burgeroorlog. Hoe hij, ook als president, altijd weer in het dorp terugkwam, `mijn thuis en mijn vriendin'.

Het is hier zoiets als Brantgum, een simpel boerendorp met één groot achttiende-eeuws huis, La Boisserie. De Gaulle kocht het in 1937, omwille van Anne. Hij was een groot theatermaker. Zijn presidentschap was, door de vele verkiezingen en referenda, één permanente campagne. Zijn ego nam op den duur mythische proporties aan – hij dacht wat `La France' dacht, en hij sprak regelmatig over `Général de Gaulle' in de derde persoon, alsof hij al levend geschiedenis was. Maar in het dorp was hij zichzelf.

Op zijn begrafenis, op 12 november 1970, kwam alles samen. De mannen laten me een foto zien: hoe ze met roestige kruiwagens de grote grafkuil aan het graven zijn. Er waren alleen gereserveerde plaatsen voor de familie, de oude strijdkameraden en de gemeenteraad van Colombey. ,,Toch kwamen er 40.000 mensen in ons dorpje, die dag. En de jongens hebben verdiend! Die verkochten zakjes aarde, zogenaamd van het kerkhof, 5 franc per stuk!''