De dood als vaste gast

Vijftien jaar lang vech leger in Zuidoost Turkije tegen de Koerdische guerillastrijders van het PKK. De Turkse schrijfster Nadire Mater interviewde 42 jonge soldaten die tussen 1984 en 1998 hun dienstplicht vervulden in het afgesloten gebied.

Het boek dat ze erover schreef, Mehmets verhaal, is in Turkije verboden, de schrijfster aangeklaagd wegens belediging van het leger. Een van haar interviews, met `Ahmet', staat hierbij afgedrukt. Onze correspondent Bernard Bouwman sprak met een oud-PKK-strijder.

Mehmet herinnert het zich nog goed, de eerste keer dat hij in het kamp van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) zo'n honger kreeg dat hij slangenvlees at. Zijn veldcommandanten in de bergen bij Diyarbakir deden hem voor hoe je een slang moet klaarmaken: je snijdt de kop er af, vilt hem en dan hang je hem een tijd boven het vuur. En ze gaven hem een advies: als je eet, denk dan maar aan schapenvlees of gehakt, want anders kots je alles gelijk weer uit. En denk ook maar aan het toekomstige Koerdistan, voegden ze er dan aan toe, want dan besef je waar je het allemaal voor doet.

Koerdistan – de mooie woorden van Mehmets `veldcommandanten' over het nieuwe land stonden in schril contrast met het leven van de PKK-soldaten in de vijandige bergen. Koerdistan zou een hoorn des overvloeds zijn – maar in Mehmets kamp bij Diyarbakir was er niets. In het nieuwe land zou iedereen van elkaar houden – maar in de bergen was liefde strikt verboden want, zo vond PKK-leider Abdullah Öçalan, verliefde mensen kunnen niet goed vechten. Mehmet herinnert zich zelfs dat in een naburig PKK-kamp drie mannen en drie vrouwen zonder pardon werden neergeknald, omdat ze de liefde hadden bedreven. Het nieuwe Koerdistan, zeiden de commandanten ook, zou voor altijd bestaan – maar in de bergen was het leven altijd kort. Als je al niet doodging door ziekte en ontberingen, dan was er altijd wel een soldaat van het Turkse leger, die net iets sneller zijn vinger aan de trekker kon leggen dan jij.

Elke nacht heeft Mehmet, die nog geen dertig is, nachtmerrries over zijn leven in de bergen en dan trekken ze allemaal weer aan hem voorbij – de Turkse soldaten die hij doodschoot, zijn vrienden die door de Turken werden gevangengenomen en vervolgens boven de bergen uit een helikopter werden gegooid omdat ze weigerden andere PKK'ers te verraden, en vooral zijn overleden moeder. In zijn dromen probeert zij hem te beschermen tegen het onheil dat langzaam maar zeker op hem afsluipt. ,,Maar ze kan het niet, want mijn dagen zijn geteld.'' De Turkse veiligheidspolitie zoekt hem en als die hem vindt eindigt hij in de martelkamer – dat de PKK nu naar vrede streeft, interesseert Turkse beulen geen zier. En voor de PKK zelf is Mehmet niet hoog en belangrijk genoeg om actie te ondernemen. Ze willen hem wel naar het buitenland smokkelen maar op één voorwaarde, dat hij eerst twee jaar in Istanbul Koerden vermoordt die weigeren om de PKK financieel te steunen. En dat weigert Mehmet. Het moorden zou hij nog wel kunnen, want dat heeft hij in de bergen wel geleerd, maar huurmoordenaars van de PKK maken zelden hun contractperiode vol. ,,Hun aanbod is in feite een verkapt doodvonnis.''

Doodvonnissen uitspreken – de PKK en het Turkse leger zijn er bijna net zo goed in. Misschien was zijn leven anders gelopen, vertelt Mehmet, als in 1992 het Turkse leger niet naar zijn dorp bij Diyarbakir was gekomen. ,,Jullie moeten tegen ons zeggen waar de PKK'ers zitten'', zeiden ze tegen de doodsbange bewoners. ,,Als jullie dat niet doen, helpen we jullie naar de andere wereld.'' Toen ze waren vertrokken, kwam de PKK en die vermoordde iedereen die zijn mond tegen de Turken had opengedaan. ,,Binnen een week was het dorp leeg. De meeste bewoners vluchtten naar Istanbul. En ik ging naar de bergen.''

Als hij ook maar een iemand in zijn omgeving had gehad, die van hem hield, had hij het misschien niet gedaan, vertelt hij, maar die iemand was er niet. Mehmets familie was straatarm, en niemand houdt van arme sloebers. ,,Toen ik kind was, hadden we de ene week suiker, en de andere week brood. We hadden nooit genoeg geld voor brood en suiker.''

Tijdens zijn dienstplicht leerde hij dat er nog één ding erger is dan armoede – Koerdisch zijn. De Turkse militairen sloegen hem een gebroken neus toen ze er achter kwamen dat hij sympathie koesterde voor de PKK. De legerarts weigerde hem te behandelen omdat hij ,,zijn kostbare tijd niet wilde besteden aan opstandelingen''. Toen het Turkse leger op bezoek kwam in zijn dorp knapte er iets in Mehmets hoofd. Zijn moeder was dood, zijn vrouw hield het met een ander en hij had niets te eten. Het was geen Koerdisch patriottisme, maar woede tegen het povere lot dat het leven hem had toebedeeld, dat Mehmet uiteindelijk naar de bergen dreef.

Eigenlijk was hij al gevoelsarm voordat hij vertrok, maar in het PKK-kamp in de bergen doofden de laatste emoties. ,,Ik moet morgen halen, dat is het enige waar we nog aan dachten. Seks, vriendschap, lekker eten – we waren het allemaal vergeten.'' Hij uitte geen bezwaren toen de leiding van de PKK ineens bedenkingen kreeg over een van zijn kameraden, nadat deze vier keer vergeten was om voedsel voor de `soldaten' in de bergen op te halen in een Koerdisch dorp. Iemand die zijn plicht zo verzaakt, moet wel een spion zijn, vond de veldcommandant en dus hielden ze de verrader een week vastgebonden en sloegen ze hem verrot.

Toen zijn schuld definitief was vastgesteld, vroeg de commandant aan de Grote Leider in Syrië hoe het verder moest. ,,Probeer hem eerst te bekeren tot onze zaak'', liet Öçalan weten, ,,Als dat niet lukt, maak hem dan maar dood.'' Uiteindelijk stuurden ze de `spion' naar Syrië. ,,Het was een enkele reis'', zegt Mehmet.

De dood – in Mehmets nachtmerries is hij een vaste gast. Elke nacht nog hoort hij de kreten van de PKK'ers die samen met hem in het martelcentrum van het Turkse leger zaten. De vrouwen werden steeds weer verkracht en de mannen kregen een stok in hun anus. Moedig of laf, iedereen smeekte de Turken om genade. In Mehmets dromen zijn het kreten zonder gezicht – hij was geblinddoekt.

Vijftien dagen zat Mehmet in dat centrum, nadat hij tijdens een gevecht in de bergen in handen was gevallen van de Turken. De hele dag werd hij gemarteld, naakt, met zijn voeten in het water en met elektrische stroom op zijn geslacht. Toen smeten ze ook hem in een helikopter en vlogen ze boven de bergen bij Diyarbakir. ,,Zeg waar PKK-kampen zijn, anders flikkeren we je eruit'', zeiden de Turken. Voor de laatste keer, vertelt Mehmet, liet ik de Turken zien wat ik waard was. ,,Ik glimlachte en zei: de PKK zit overal.'' De beulen tierden, maar de helikopter vloog terug – met Mehmet.

Bij elke stroomstoot werd Mehmets weerstand echter minder en uiteindelijk knapte hij. Toen hoge Amerikaanse officieren op visite kwamen in het martelcentrum, vertelde hij hun braaf dat de PKK in heroïne en cocaïne handelde en dat het een zielige club terroristen was. Hij kreeg speciale kleren aan voordat hij de Amerikanen zag. De kleren bedekten bijna zijn gehele lichaam, zodat de tekenen van marteling zorgvuldig waren verborgen. En de Turken namen geen Koerden die Engels spraken, want die zouden tegenover de Amerikaanse officieren een boekje open hebben kunnen doen over de praktijken in de gevangenis.

Nog vijf maanden lieten ze hem kreperen en toen haalden ze hem uit het centrum. Ze hadden een nieuwe opdracht voor hem: de politie hield auto's aan op de snelweg en hij moest dan aanwijzen wie bij de PKK hoorde. Een paar maanden wees hij niemand aan, maar toen brak zijn weerstand en leverde hij iemand uit.

De Turken waren zo in hun nopjes dat ze hem vrijlieten en hem terugstuurden naar zijn geboortedorp. Daar mocht hij wonen, mits hij zich regelmatig bij de politie meldde. ,,Op een dag ben ik hem gesmeerd naar Istanbul. Vanaf dat moment zijn de Turken me weer gaan zoeken.''

Mehmet kwam naar Kartal (een voorstad van Istanbul), naar zijn oom. Op een dag kwam hij een Koerd tegen die hem had gezien toen hij bezig was met zijn verraderswerk langs de snelweg. De man kocht een pistool en had Mehmet bijna naar de andere wereld geholpen, als zijn oom, die goede contacten heeft met de PKK, niet tussenbeide was gekomen. En zo werd de oud-PKK'er, die in de bergen voor de Koerdische zaak had gevochten, inzet van een `interne rechtszaak' van de Beweging. En dat is geen sinecure, zegt Mehmet, want zelf heeft hij in Antalya gezien hoe de PKK verraders zonder pardon afschiet. ,,Ik heb het alleen aan mijn oom te danken dat ik nog leef.''

Maar wat voor leven heeft hij? Zijn kind heeft hij al jaren niet gezien, en zijn vrouw is hertrouwd met een ander. De PKK kijkt op hem neer omdat hij verraad heeft gepleegd, en de Turken willen hem het liefst vermoorden. Bij elke politieagent die hij op straat ziet, krimpt hij ineen. Eén blik op zijn identiteitsbewijs en zijn doodvonnis is getekend, denkt hij. Mehmet hoopt dat mensen in Europa hem wil helpen om Turkije te verlaten, maar in zijn hart weet hij dat hij ook daar niet op hoeft te rekenen.

,,Alleen mijn nachtmerries houden van mij'', zegt Mehmet bitter, ,,want die komen elke nacht weer bij mij op bezoek.''

Zie ook op deze pagina: Een papaver in de loop — De Turkse soldaat