de acteur

Wie naar de klassieke toneelopleidingen in Nederland kijkt, zou tot de conclusie kunnen komen dat het aantal acteurs in Nederland klein is. Bij de academies in Amsterdam, Maastricht, Utrecht en Arnhem staan jaarlijks honderden aspirant-studenten te trappelen om een opleidingsplaatsje, maar slechts ongeveer 30 mensen komen de audities door. Na het eerste jaar volgt de tweede selectieronde: ongeveer de helft van de eerstejaars studenten mag blijven. De toneelacademie in Maastricht heeft in haar bijna 50-jarig bestaan maar zo'n 300 afgestudeerde acteurs afgeleverd.

Toch is het aantal mensen dat zich acteur noemt veel groter dan op het eerste gezicht lijkt. Volgens de kunstenbond van de FNV, Kiem, (Kunsten Informatie en Media) lopen in Nederland ongeveer 4.000 mensen rond die zich acteur noemen.

Slechts een kleine groep van alle acteurs in Nederland werkt volgens een CAO. Deze arbeidsovereenkomst is alleen van toepassing op de leden van de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen. Deze club telt 60 gesubsidieerde toneelgezelschappen zoals Het Nationale Toneel, De Trust, de Dogtroep en het Ro Theater. Over het algemeen werken hier de zogenoemde gediplomeerde acteurs. Het hebben van een opleiding is ook belangrijk voor de indeling in een van de vier salarisgroepen. Acteurs zonder een formele toneelopleiding komen in de volontairklasse (2.390 tot 3.100 gulden bruto per maand). Beginnende acteurs met opleiding komen in groep I (3.300 tot 4.970 gulden). Een acteur die in deze groep valt gaat in verplichte periodieken in salaris omhoog. Voor groep II (4.970 tot 8.005 gulden) geldt de vrij onderhandelbare ruimte. De acteurs in deze klasse gaan dus niet automatisch omhoog maar moeten binnen de marges praten over hun uiteindelijke salaris.

Groep III (7.365 tot 9.895 gulden) is slechts weggelegd voor een selecte groep `arrivés'. Hier komen alleen acteurs in die in een reeks van jaren bewezen hebben stukken te kunnen dragen. Zij moeten worden voorgedragen bij de directeur van de NVT, die vervolgens een speciale commissie samenstelt die uiteindelijk beslist over toelating tot deze eredivisie van het Nederlands Toneel. Volgens NVT-directeur Jaap Jong zitten er 25 of 26 acteurs in klasse III. Voorbeelden zijn Anne-Wil Blankers en Annette Nieuwenhuizen.

Niet alleen de indeling in salarisgroepen is uitzonderlijk in de CAO voor het gesubsidieerd toneel. Ook de secundaire arbeidsomstandigheden zijn afwijkend. De Jong: ,,Het is in principe zelfs mogelijk om iemand die zwanger wordt te ontslaan. Stel je voor dat een maagdelijke Julia opeens zichtbaar zwanger op het podium zou staan. Dat kan natuurlijk niet.'' Een andere bepalingen is dat er geen verschil wordt gemaakt tussen zon- en feestdagen. Onregelmatige werktijden bestaan niet in de toneelwereld.

,,Buiten de sfeer van het gesubsidieerd toneel is het een beetje een wildernis'', zegt Jaap Jong. De toneel-CAO is namelijk niet algemeen verbindend verklaard. Kleine theatergroepen die niet of tijdelijk gesubsidieerd worden zijn over het algemeen helemaal niet in staat om de CAO-lonen te betalen. De salarissen zijn dan afgeleid van het minimumloon met een plus die afhankelijk is van de beschikbaar gestelde overheidsbijdrage. Voor repetities wordt dan vaak maar de helft uitgekeerd. Volgens bestuurder Martin Kothman van Kiem zitten heel veel acteurs op het minimumloon. Ook mensen die via castingbureaus bij de soaps terecht komen beginnen met een zeer bescheiden salaris.

Veel acteurs in Nederland spelen niet alleen op toneel of in televisiestukken. Via castingbureaus komen ze aan klussen als het spelen in tv-commercials of radiospotjes. Een aantal acteurs speelt zijn salaris bij elkaar door mee te werken aan trainingen en workshops. Ook hiervoor geeft Kiem richtlijnen. Voor één groep heeft Kiem nog wel vaste afspraken weten te maken: voor de acteurs die betaald worden door de publieke omroepen. Hun salaris hangt af van de zwaarte van de rol, en de lengte van het stuk waarvoor zij zijn ingezet.

De overheid probeert via de Wet Inkomensvoorziening (WIK) acteurs in staat te stellen een renderende beroepspraktijk op te bouwen. Deze regeling houdt in dat acteurs 70 procent van de bijstandsuitkering krijgen en mogen bijverdienen tot 125 procent. Volgens Kothman moet de meerderheid van de acteurs wel eens een beroep doen op een uitkering, of de betreffende persoon nu volgens een CAO werkt of niet.

Het inkomen van een acteur hangt voor een groot deel af van zijn of haar marktwaarde. Hoofdrolspelers in de grote vrije producties verdienen natuurlijk goed. Hetzelfde geldt voor een soapster. Wie een publiekstrekker is kan uiteraard veel meer vragen dan iemand die net komt kijken.

Jaap Jong vindt het goed voor voor het cultureel klimaat dat de CAO niet voor iedereen telt: ,,Joop van den Ende had nooit bestaan als we de CAO algemeen verbindend hadden verklaard.''

Ook bestuurder Kothman erkent dat sommige theatergroepen niet zouden kunnen draaien als er hogere salarissen betaald zouden moeten worden. Maar zo zegt Kothman ,,wij stellen daar tegenover dat de overheid de subsidies eens zou moeten verhogen''.