Curaçao moet worden aangepakt

De Koraal-Specht is niet het enige minpunt op Curaçao. Het onderwijs verpaupert, de werkloosheid stijgt. En nu is het Antilliaanse kabinet ook nog gevallen. Bij de begrotingsbehandeling voor de Antillen, volgende week, moet de Kamer de negatieve spiraal doorbreken,

vindt Edo Haan.

De Nederlandse politiek maakt zich druk over een gevangenis in het Koninkrijk, op Curaçao. En terecht, de mensenrechten worden daar al jarenlang geschonden. Gevangenen verkeren er onder erbarmelijke omstandigheden, gevangenen die elkaar ernstig mishandelen, etcetera. De bestuurlijke en economische situatie op Curaçao is echter nog veel ernstiger. En daar horen we de Nederlandse politici nauwelijks over. Dat is verbijsterend, want dagelijks verlaten momenteel tientallen inwoners Curaçao om voor altijd naar Nederland te vertrekken. De laatste jaren hebben duizenden inwoners het eiland verlaten en dat doen ze niet omdat het klimaat in Nederland beter is. Waren het eerst vooral jonge, laag opgeleide ongetrouwde moeders met kinderen, nu verlaat ook het kader Curaçao. Mede aangelokt door de gespannen arbeidsmarkt in Nederland zeggen velen op Curaçao hun baan op en vertrekken. Een derde deel van de Curaçaose bevolking woont inmiddels in Nederland. Het inwonertal van het eiland van rond 150.000 is dan ook in absolute termen dalende.

De mensen verlaten het eiland als gevolg van het totaal falende overheidsbeleid. Geconstateerd moet worden dat de Curaçaose/Antilliaanse overheid haar taken, zelfs wanneer die op een minimale wijze worden benoemd, niet naar behoren vervult. De kwaliteit van het onderwijs is dusdanig dat naar schatting een kwart van de jongeren functioneel analfabeet is. Dat wil zeggen dat men de eigen taal, het Papiaments, in onvoldoende mate beheerst om de krant te kunnen lezen, laat staan dat men uit de voeten kan in het Nederlands. Jaarlijks verlaten op het eiland rond de duizend jongeren het onderwijs zonder enige vorm van diploma. Velen doorlopen het basisonderwijs omdat men `op basis van leeftijd wordt bevorderd'.

Ook op het vlak van de openbare orde en veiligheid laat de Curaçaose overheid de nodige steken vallen, getuige de hoge criminaliteit, de opkomst van particuliere beveiligingsdiensten en de gebeurtenissen in de al gememoreerde Koraal-Spechtgevangenis. De gezondheidszorg op haar beurt wordt met name gekenmerkt door een hoog kostenniveau, verwaarlozing van de gehandicapten- en ouderenzorg en een grote drugsproblematiek.

Tot in de jaren tachtig kon de Curaçaose overheid het financiële hoofd kunstmatig boven water houden dankzij twee toevalligheden. In de eerste plaats vielen het eiland enorme belastinginkomsten, verkregen uit brievenbusmaatschappijen, in de schoot. Dankzij zeer gunstige belastingverdragen met de VS en Nederland beschikte de overheid toen over zeer ruime inkomsten uit deze `financiële offshore', zonder daar enige moeite voor te hoeven doen. De inning van de overige, lokale belastingen blijft dan ook veelal achterwege. Met name de Nederlandse fiscus loopt door de Antillenroute evenwel enige tientallen miljarden guldens mis.

In de tweede plaats ontvangt Curaçao van Nederland decennia lang de hoogste ontwikkelingshulp per inwoner ter wereld, waarmee de Antilliaanse overheid haar kapitaalsuitgaven kan financieren. Praktisch alle overheidsgebouwen, vliegvelden, havens, bruggen, sociale woningbouw en dergelijke op de Antilliaanse eilanden zijn uit Nederlandse ontwikkelingshulp betaald, terwijl de enorme offshore-belastinginkomsten de overheid in staat stellen steeds meer personeel aan te stellen. Wanneer na aanpassingen van de belastingverdragen de offshore-belasting afneemt en het ambtenarenapparaat maar door blijft groeien, ontstaan enorme overheidstekorten. De financiële problematiek is inmiddels dusdanig groot, dat om de salarissen uit te kunnen betalen de overheid maandelijks leningen (tegen 9 procent rente) bij banken moet plaatsen.

Wellicht nog belangrijker zijn de maatschappelijke effecten van het desastreuze sociale en financieel-economische beleid dat de Curaçaose overheid al decennialang voert en dat de toon zet voor een naar binnen gekeerde maatschappij. Buitenlandse arbeidskrachten worden zo veel mogelijk geweerd, lokale importvervangende bedrijfjes genieten ruime overheidssteun in de vorm van belastingvoordelen en zeer hoge invoerheffingen op concurrerende buitenlandse producten, het (lager) onderwijs moet in het Papiaments, terwijl de nodige educatieve hulpmiddelen als boeken daarvoor ontbreken. Tevens is sprake van kartelvorming in de handel en het bankwezen alsmede van een enorm groot en inefficiënt overheidsapparaat.

De zeer slechte economische ontwikkeling op Curaçao is hiervan het directe gevolg. Onder de randvoorwaarden die door de defensieve overheidsmaatregelen worden gecreëerd, kan de particuliere sector niet uit de voeten en sluiten steeds meer bedrijven hun deuren. Gevolg is dat, ondanks de massale emigratie, het inkomen per hoofd van de bevolking daalt en de al zeer hoge werkloosheid verder toeneemt, vooral onder jongeren. De economie krimpt als direct gevolg van het defensieve economisch overheidsbeleid, dat zowel de concurrentie met het buitenland als in het binnenland tegengaat en kartelvorming stimuleert.

Het beleid is louter gericht op het behoud van bestaande werkgelegenheid, waardoor de groei van nieuwe werkgelegenheid juist wordt tegengegaan. Een goed voorbeeld hiervan is de gang van zaken rond de Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij (ALM). Terwijl het onderwijs in de meest letterlijke zin verpaupert, wordt de ALM zwaar gesubsidieerd, opdat de bijna duizend mensen die op de loonlijst van de ALM staan, vijf vliegtuigjes in de lucht kunnen houden. Tevens ondersteunt de Antilliaanse overheid het streven van de ALM om kartelafspraken met andere luchtvaartmaatschappijen te maken. Resultaat is dat een retourtje Schiphol-Curaçao, een route waar geen concurrentie op is, al jarenlang twee keer zo duur is als een retourtje Schiphol-New York, een route waar wel op kan worden geconcurreerd. De (onnodig) hoge tarieven leiden uiteraard tot lage toeristenaantallen en zijn daarmee slecht voor de economie. Toch wordt met kracht vastgehouden aan dit soort defensief beleid. Curaçaose politici willen blijkbaar niet inzien dat het uiteindelijke resultaat slechts is: gesubsidieerde werkgelegenheid enerzijds bij de overheid en overheidsbedrijven als ALM en anderzijds leegstand in de Curaçaose hotels, autoverhuurbedrijven en restaurants.

Het begin van de oplossing voor Curaçao is dan ook – naast een goed onderwijsbeleid – dat de overheid de luiken op het eiland openzet en ruimte geeft aan concurrentie in het binnenland en met het buitenland. Hierbij kan Curaçao een voorbeeld nemen aan het (voormalige) zustereiland Aruba. Dat eiland zat in 1985 met zijn 60.000 inwoners echt aan de grond, nadat de hoofdbron van haar economische bestaan, de olieraffinaderij, was dichtgegaan. Op Aruba werden vervolgens de luiken geopend. Het importvervangende beleid werd afgeschaft, het economische beleid werd geconcentreerd op ontwikkeling van het toerisme (waartoe onder meer het luchtvaartbeleid werd geliberaliseerd) en werknemers vanuit het buitenland werden op ruime schaal toegelaten. Het resultaat van dit naar buiten toe gerichte beleid is dat op Aruba nu ruim 90.000 mensen (dus 50 procent meer dan in 1986) wonen, terwijl er geen werkloosheid is. Het eiland kent één van de hoogste inkomens per inwoner van het Caribisch gebied. Zo is de AOW op Aruba twee keer zo hoog als op Curaçao, terwijl het overheidstekort er in tegenstelling tot Curaçao onder controle is en de lastendruk lager. Aruba heeft zijn luiken opengezet en leeft in welvaart. Er is geen enkele reden te bedenken waarom die welvaart de inwoners van Curaçao moet worden onthouden.

De door de Antilliaanse regering ingestelde commissie-Wawoe heeft voor de zomer in een zeer helder rapport aangegeven hoe ook Curaçao de weg naar welvaart kan inslaan. De overheid moet haar uitgaven verlagen, haar inkomsten verhogen en de economie liberaliseren. Hoewel de Antilliaanse premier heeft aangekondigd dit plan integraal te willen uitvoeren, gebeurt er helemaal niets. Het parlement is slechts voorgesteld om de indirecte belastingen wat te verhogen, terwijl de directe belastingen verlaagd worden. Van enige maatregelen om de uitgavenkant van de begroting te verlagen is geen sprake, terwijl de vakbondsvleugel van de regering elke vorm van de zo hoog nodige deregulering van de economie ook blokkeert. De onwil van de Curaçaose politici om iets aan de ernstige crisis op het eiland te doen, heeft de commissie-Wawoe inmiddels doen besluiten de handdoek in de ring te gooien.

Vraag blijft wat het Nederlandse parlement doet, behalve zich druk te maken over de gevangenis op Curaçao. Hierbij is niet onbelangrijk dat volgens het Koninkrijksstatuut de Koninkrijksregering moet ingrijpen ingeval van onbehoorlijk bestuur binnen het Koninkrijk. Het Nederlandse debat zou moeten gaan over de vraag hoe voorkomen kan worden dat nog langer hele generaties binnen het Koninkrijk verloren gaan. En tijdens het debat zou de centrale vraag moeten zijn hoe op korte termijn bereikt kan worden dat de zon op Curaçao voor iedereen gaat schijnen.

Dr. Edo Haan is in 1998 gepromoveerd op het proefschrift `Antilliaanse Instituties, de economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en Aruba, 1969-1995'.