BEWUSTZIJN 4

In de grondige inventarisatie die Harm Visser maakte van het neurologisch onderzoek naar `mentale veroorzaking' (`Zinloos bewustzijn', W&O 11 september) misten wij één logisch en doorslaggevend argument, dat zonder moeite voor de hypothese kan doorgaan die door het onderzoek bewezen lijkt te worden: het gegeven dat het onmogelijk geacht moet worden iets te kennen wat niet al bestaat. Aangezien bewustzijn als gevolg van een causaal proces `ontspringt', betreft datgene wat zich als het `heden' aan ons presenteert, per definitie een gebeurtenis uit ons verleden. Anders gezegd: bewustzijn is (altijd) herinnering.

Hoe logisch en eenvoudig dit ook klinkt, onder het selecte gezelschap filosofen, wetenschappers en ook schrijvers dat zich in de loop der eeuwen over het fenomeen gebogen heeft, getuigden de meesten steeds weer weifelend of en passant van hun bevindingen (Freud is een uitzondering) en lieten na die voor de hand liggende, maar psychologisch zo ingrijpende conclusie te trekken. Alsof het over het bestaan van Marsbewoners ging.

Daar blijkt nog steeds niet erg veel aan veranderd. Het doorslaggevende argument van de causaliteit en continuïteit in het kenproces wordt in de interviews door Harm Visser op een raadselachtige manier niet aangeroerd, en erg veel verder dan de constatering dat het `evident' is `dat we de meeste beslissingen in ons leven onbewust nemen' (bio-psycholoog dr.B. Bermond) komt men niet. De meeste, dat wil zeggen: niet alle. Daaruit spreekt de suggestie dat een besluit dat door het brein van `beelden' (of : bewustzijn) is voorzien, `bewuster' en ook `sturender' zou zijn dan een besluit dat we niet leren kennen, zoals dat tot het knipperen met onze ogen. Maar ook een `bewust' besluit is voor degene die het neemt, op het moment dát hij het neemt, een onbewust besluit.

Het blijkt voor velen een onthutsende gedachte dat een mens elk ogenblik opnieuw weer blind is voor het heden van zijn eigen handelingen. Zonder een bewustzijn dat de handelingen stuurt zou er, lijkt men te denken, van een `zelf' niet langer sprake zijn. Alsof het feit dat wij het zijn die willen, handelen en denken, en ons `werkelijkheid' bewust worden, niet voldoende is om van een `zelf' te kunnen spreken, en het dus alleen maar telt als we hiërarchisch zijn gesplitst: in een bewust en regulerend `ik' en een passief organisme, dat als instrument van ons bewustzijn figureert.

De stelling dat dit laatste een illusie is, lijkt als een dolksteek aan te komen in het hart van onze ijdelheid, en onze religiositeit. Bovendien raakt het nog eens een ander ongemak: de verwarring die zo'n opvatting zou kunnen stichten over de menselijke aansprakelijkheid. In het huidige rechtssysteem is verantwoordelijkheid immers rechtstreeks aan de mate van (`sturend') bewustzijn gekoppeld.

De verwaarlozing van het thema zou ten slotte nog een andere, eenvoudiger verklaring kunnen hebben: dat het bijzonder lastig is om het `ontvangende' karakter van het bewustzijn te onderkennen. Want is het niet het kennen-zelf, dat op een dwingende manier de indruk van een hiërarchie verschaft; van onafgebroken leiding, actie, zelfs: creatie? Zodra je `kent', of denkt, waan je je onmiddellijk het sturend middelpunt van je bestaan. Om je dan te kunnen voorstellen dat je níet dat heersend centrum bent, maar slechts je eigen organisme schaduwt, dien je over een beproefd talent tot abstraheren te beschikken.