Al Gore blijkt plotseling echt mens te zijn

Het gaat nog steeds niet goed met de campagne van Al Gore voor het presidentschap. Oud-senator Bill Bradley zit hem steeds dichter op de hielen. Gore zoekt nu de confrontatie.

Hij laat zijn donkere pak wat vaker in de kast hangen, zoals zijn politieke mentor Bill Clinton hem al maanden geleden op het hart had gedrukt. Hij praat in zijn toespraken wat meer over zichzelf – over zijn ouders, over de tijd in Vietnam en over de politieke ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. En hij probeert enige afstand te nemen van Washington, de politieke bazaar die zoveel Amerikanen met argwaan bekijken.

Al Gore (51) is al bijna zeven jaar vice-president, en wel een van de meest actieve vice-presidenten in de Amerikaanse geschiedenis. Toch kent Amerika hem nauwelijks. En dat is een probleem voor iemand die hoopt dat hij volgend jaar tot president wordt gekozen. Want Amerikanen kijken nu eenmaal niet alleen naar de ervaring, deskundigheid en politieke ideeën van kandidaten voor het Witte Huis, maar ook naar hun persoonlijkheid.

Begin dit jaar was Gore nog de gedoodverfde Democratische kandidaat voor de presidentsverkiezingen. De rivaal van wie hij het meest te vrezen had viel af: Richard Gephardt, leider van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden, kondigde aan dat hij geen campagne voor het presidentschap zou voeren maar alles op alles zou zetten om de Democraten in het Congres weer een meerderheid te bezorgen.

De opluchting van Gore was snel voorbij. Oud-senator Bill Bradley heeft zich de afgelopen maanden ontpopt als een veel grotere bedreiging voor Gore dan de vice-president ooit had vermoed. Het inzamelen van campagnegelden blijkt Bradley zeker niet slechter te doen als Gore, terwijl hij met zijn kleine staf veel minder uitgeeft. En in New Hampshire, waar eind januari de eerste voorverkiezingen worden gehouden, geven opiniepeilingen aan dat beide kandidaten daar nu even sterk zijn, of zelfs dat Bradley een kleine voorsprong heeft.

Ook in de staat New York, waar Bradley in zijn jonge jaren furore maakte als basketbal-speler bij de New York Knicks, heeft Gore het moeilijk. De Newyorkse senator Daniel Patrick Moynihan schaarde zich onlangs achter Bradley en merkte vilein op dat er met Gore niets mis is, behalve het feit dat hij nooit gekozen zal worden.

Hoewel landelijk nog altijd veel meer Democraten Gore steunen dan Bradley, is de vice-president duidelijk geschrokken. Hij zegt zelfs dat hij nu de underdog is, in de hoop daarmee de strijdlust van zijn aanhangers op te zwepen. Maar het verschil tussen een underdog en een loser is subtiel, en een groeiend aantal Democraten vreest dat Gore wel eens tot de tweede categorie zou kunnen behoren. Zo heeft de federatie van vakbonden AFL-CIO, een belangrijke steunpilaar van de Democratische partij, besloten de kat nog even uit de boom te kijken. De bonden zullen voorlopig geen voorkeur voor Gore uitspreken.

Maar Gore is niet makkelijk uit het veld te slaan. Hij weet zich verzekerd van de steun van zijn baas en van een enorm aantal partijfunctionarissen in het hele land. Hij is geen nieuwkomer, want hij heeft drie keer eerder een landelijke campagne gevoerd: in 1988 deed hij een hopeloze gooi naar de Democratische nominatie, en in 1992 en 1996 voerde hij met succes campagne als running mate van Clinton.

Deze week besloot Gore het hoofdkwartier van zijn campagne te verhuizen van Washington naar Nashville, in Tennessee, de staat die hij vertegenwoordigde in het Congres. Hij noemt Tennessee, waar zijn familie vandaan komt, ,,thuis'', ook al heeft hij zelf het grootste deel van zijn leven in Washington gewoond. Met de verhuizing wil hij laten zien dat zijn wortels in doorsnee-Amerika liggen, dat hij niet alleen een Washingtonse insider is en het maatje van de in opspraak geraakte Bill Clinton, maar ook iemand met wie gewone Amerikanen zich kunnen identificeren.

Wat Amerikanen van Gore weten, is meestal niet veel meer dan dat hij in Washington opgroeide als zoon senator Albert Gore Sr., dat hij in Harvard heeft gestudeerd, al vroeg de politiek in ging en dat hij begaan is met het milieu en computer-technologie. En net als iedere vice-president gaat hij, na jaren op het tweede plan, gebukt onder het beeld dat hij geen echte leider is. Gore geldt als een nette, maar verder kleurloze man die nooit veel last heeft gehad van tegenwind.

Dat imago probeert Gore nu bij te stellen door in toespraken te vertellen hoe geschokt hij was tijdens de Vietnam-oorlog (,,die lange donkere tunnel'') toen zijn studiegenoten hem met de nek aankeken omdat hij vrijwillig het leger in ging om zijn land te dienen; hoe bitter teleurgesteld in de politiek hij raakte door het Watergate-schandaal; en hoe trots hij is op zijn moeder, die in een tijd dat dat nog heel ongewoon was rechten ging studeren, en op zijn vader, die het ondanks zijn eenvoudige komaf zo ver schopte. ,,Voordat de kiezers luisteren naar zijn ideeën, moeten ze hem eerst aardig vinden'', zei een medewerker van Gore onlangs.

Ondertussen haalt Gore af en toe uit naar zijn rivaal Bradley, die hij aanvankelijk probeerde te negeren. Hij verwijt Bradley slapheid, omdat hij de Senaat verliet en niet terugvocht na de monsterzege van de Republikeinen in 1994. Gore heeft Bradley deze maand uitgedaagd voor een aantal openbare debatten. Bradley houdt die boot af, al zullen de rivalen na maanden schaduwboksen vandaag wel voor het eerst op één podium staan. Tijdens een diner voor 2.900 activisten, geldschieters en vakbondsleiders in Des Moines, Iowa, houden ze om de beurt een toespraak. De toehoorders behoren grotendeels tot het kamp-Gore.

Bradley heeft veel te verliezen met een direct debat. Gore staat bekend als een voortreffelijk debater. In 1993 maakte hij in een televisie-debat over het vrijhandelsakkoord NAFTA korte metten met Ross Perot. Tijdens de verkiezingscampagne in 1996 versloeg hij een televisiedebat Jack Kemp, de Republikeinse kandidaat voor het vice-presidentschap.