AARDBEVINGSHISTORIE IS AF TE LEZEN IN DRUIPSTEENGROTTEN

Druipsteengrotten kunnen goede locaties zijn voor het bestuderen van aardbevingen die er in de omgeving zijn geweest. Dat concluderen Franse speleologen op grond van een onderzoek in acht van zulke grotten in de oostelijke Pyreneeën (Geodinamica Acta 12, no. 3-4). In dit gebied vond op 18 februari 1996 nabij het stadje Saint-Paul-de-Fenouillet een aardbeving van magnitude 5,2 op de schaal van Richter plaats. Deze beving, die in een gebied met een straal van 150 kilometer werd gevoeld, was een van de krachtigste die in de afgelopen eeuwen in deze streek zijn waargenomen.

De beving deed zich voor in een gebied met veel druipsteengrotten. Dat bracht de onderzoekers ertoe om in acht van deze grotten bij stalactieten naar tekenen van die beving te gaan zoeken. Opvallend was dat in de laaggelegen grotten heel weinig effecten waren te zien, terwijl de grot met de meest duidelijke effecten tevens de meest hooggelegen was. Dit wees erop dat de hoogte een versterkend effect op de bodembewegingen heeft gehad. Zo'n `versterking' van aardschokken is ook waargenomen bovenaan steile hellingen en hangt mogelijk samen met het optreden van staande golven in het gebied.

De onderzoekers hebben in de hoogstgelegen grot, de Barrence du Paradet, de eigenschappen van op de bodem gevallen rietvormige (holle) stalactieten bestudeerd. Stalactieten gedragen zich als slingers, die kunnen afbreken wanneer de frequentie van aardbevingstrillingen ongeveer gelijk is aan hun eigen frequentie. De onderzoekers hebben uit de vorm van de gemiddeld 20 centimeter lange stalactieten afgeleid dat hun frequentie ongeveer 8 Hz moet hebben bedragen: een waarde die goed overeenkomt met de door seismometers gemeten frequentie van de aardbevingstrillingen. Verreweg de meeste stalactieten bleken in oost-westrichting op de bodem van de grot te liggen, wat overeenkomt met de richting van de grondbeweging tijdens de aardbeving.

In sommige delen van de grot lagen rietvormige stalactieten die in de loop van de tijd door een dun laagje calciet aan de bodem waren vastgekit. Uit de dikte van dit laagje kon worden afgeleid dat deze stalactieten tijdens de aardbeving van 1922 waren afgebroken. Op nog weer andere plaatsen waren grote (staande) stalagmieten te zien die op verscheidene hoogte waren gebroken, waarbij de afzonderlijke delen waren verschoven, maar nog steeds op elkaar stonden. Iets dergelijks ziet men ook bij antieke zuilen die door een krachtige aardschok zijn getroffen.

Uit de dikte van een nieuw aangegroeid calcietlaagje kon worden afgeleid dat deze zware beving 2.000 tot 3.000 jaar geleden moet hebben plaatsgevonden. Zo kan in een druipsteengrot dus een lange tektonische geschiedenis worden vastgelegd.