Zelfs met peuken teken ik nog

`Ik heb geen vader en geen naam', zegt Diane Bogaerts. Ze schildert daarom `een vervolgverhaal over zichzelf': reeksen schilderijen van menselijke gestalten.

De eerste kennismaking met het werk van de Vlaamse Diane Bogaerts speelde zich af in een verlaten hydraulische krachtcentrale in het Antwerpse havengebied. Zo'n reusachtig gebouw in grijze steen van een eeuw geleden vanwaar eens de energie werd opgewekt voor kranen en sluizen en dat daarna als monument van industriële archeologie behouden kon blijven. De grote tot zeer grote vooral grijze en zwarte monochromen van Diane Bogaerts (52), alle met de menselijke gestalte als uitgangspunt, werkten indrukwekkend in de vroegere werkhal, enkele voetbalvelden groot en met de hoogte van een kathedraal. De olieverven leken te vervloeien met de verweerde grauwe muren met hier en daar nog de sporen van vroegere leidingen ertussen. Op de vloer had de kunstenares in wit en zwart zand een van haar figuren in groot formaat herhaald om de enorme ruimte te relativeren. In een vroegere stooknis schreef zij op de zwart geblakerde baksteen een aantal dichtregels.

Kortom: een installatie van belang, die wij op de laatste dag nog net konden zien. Toen Diane Bogaerts vertelde zich binnen enkele weken in Nederland te zullen presenteren op een tentoonstelling in de Haagse Pulchri Studio werd een nadere kennismaking met haar niet minder dan noodzakelijk.

Bogaerts woont en werkt in een Antwerpse buitenwijk in een woning die aan de tuinzijde uitloopt in een serre met veel bovenlicht. De serre is haar atelier. Enkele malen per week ontvangt zij vijf à zes modellen, mannen en vrouwen, die zij al een jaar of tien kent en die dan ook vrienden zijn geworden. Ze weten wat de schilder van hen verwacht. De naaktmodellen poseren, soms apart, soms ook allen tegelijk, niet passief maar in voortdurende beweging, al of niet op de muziek die gedraaid wordt. Veel klassiek, ook wel modern en zelfs pop. Ze weten dat de kunstenares bezig is in hun houdingen en bewegingen uitingen van lichaamstaal te ontdekken: angst, vreugde, verdriet, erotiek.

Diane Bogaerts maakt er razendsnelle schetsen van, een soort beeldhouwerstekeningen waarin de bewegingen worden vastgehouden of in hun vervolg aangeduid: ,,Ik heb er duizenden gemaakt, soms in een halve minuut per schets.'' Ze legt uit dat ze in eindeloze herhaling tekent, steeds iets wijzigend tot ze in een euforische concentratie in een bepaalde serie een eindresultaat bereikt. Daarvan weet ze dat het als uitgangspunt van een schilderij kan dienen.

Ritueel

Tijdens die tekensessies met haar modellen kan ze niet verdragen dat er iemand anders in huis is, zelfs haar eigen man niet, al zit hij in een ander deel van het huis. Een gelukkige bijkomstigheid is dat hij overdag naar zijn werk gaat.

De bijeenkomsten hebben iets van een ritueel waarbij bijvoorbeeld niemand ook maar een woord mag zeggen. Dit om de betovering van de groeiende concentratie niet te verstoren: ,,Zonder iets te zeggen of te willen horen zie ik dan dat het goed gaat, ik voel het in mijn hand, de concentratie neemt toe en je raakt in een soort flow. Dan gaat alles vanzelf en raakt de tijd uitgerekt, alles wordt anders.''

De geschilderde resultaten hebben zelden een erotische lading, soms zelfs is het niet zonder meer duidelijk of het om mannelijke of vrouwelijke figuren gaat. Het zijn geëmotioneerde gestalten, in brede vegen olieverf opgebracht en gemoedstoestanden oproepend die wat de kunstenares betreft door de beschouwer zelf worden bepaald.

Ze verwacht niet dat haar eigen gedachten en emoties tijdens het vervaardigen door de beschouwer worden herkend. Dat lijkt haar zelfs onmogelijk: ,,Bij het schilderen speelt van alles een rol, behalve de houding van het model ook wat ik korter of langer tevoren heb gezien, gehoord, gelezen of beleefd. Dat is altijd wat anders dan de kijker heeft beleefd en aan herinneringen met zich meedraagt.''

Bovendien, zegt ze, heeft elk schilderij te maken met de verwerking van haar eigen geschiedenis. Ze zegt te horen tot de `scharniergeneratie' van de jaren zestig, toen vooral de vrouwen werden gedwongen tot een keuze tussen de oude en de nieuwe, vrijere vormen, dikwijls met schuldgevoelens ten aanzien van de ouders als een van de gevolgen. Zelf leefde ze met haar moeder, die al in 1946 door haar man was verlaten. Pas voorbij haar dertigste deed ze een geslaagde poging haar vader te ontmoeten die echter niets met haar te maken wilde hebben.

Later ging ze er zelfs aan twijfelen of haar wettige vader dezelfde was als haar biologische vader. Haar moeder wilde daar niet met haar over praten. Nog steeds heeft ze haar twijfels, en ze heeft dan ook een hekel aan haar eigen achternaam Bogaerts. Toch hield ze die naam ook na haar huwelijk, zoals ze ook haar eigen bankrekening behield. Zonder ooit een uitgesproken feministe te zijn geweest hechtte ze aan haar onafhankelijkheid. Ze bleef zich bewust van haar identiteitsprobleem: ,,Ik heb geen naam en geen vader.''

In het leven van Diane Bogaerts is de onzekerheid altijd een kracht gebleven die waarschijnlijk veel aan haar creativiteit heeft bijgedragen en die in elk geval heeft gestuurd.

In elk schilderij, zegt ze, zit haar zoeken naar die identiteit. Haar werk wordt wel in verband gebracht met genderbending, zoals het doorbreken van de sekse-rollen in feministische kringen wel genoemd wordt: vrouwen die een mannengedaante aannemen, mannen die als vrouw optreden.

Overigens is Bogaerts kunstenaarschap pas op latere leeftijd tot volle bloei gekomen. Haar moeder stond haar een studie aan een academie niet toe, bang voor een verval in drank en ontucht. Voor een studie rechten was geen geld en dus werd het het onderwijs.

,,Ik ben 27 jaar onderwijzeres geweest voor karaktergestoorde kinderen. Ik zag het wel zitten, veel praten en veel tijd om te tekenen.'' Tekenen, lijntjes trekken, is voor haar sinds haar kindertijd dwangmatig geweest. Nog steeds: ,,Als ik een sigaret uitdruk maak ik met de peuk nog patroontjes in de asbak.''

Ze trouwde en kreeg een dochter: ,,Toen die een jaar of twee was kon niemand mij meer tegenhouden. Ik ging 's avonds en in de weekeinden naar de academie.'' Haar curriculum vitae laat zien dat ze van die studie geen half werk maakte, de academies van Antwerpen, Sint Niklaas en Anderlecht worden genoemd evenals onder meer die in het Duitse Trier: ,,Ik heb toen alle diploma's gecombineerd en kreeg in het buitengewoon onderwijs carte blanche voor lessen in creativiteit.''

Diane Bogaerts ging uiteindelijk toch als vrij kunstenares werken. Haar motief stond van het begin af aan vast, variaties op de menselijke gestalte, altijd binnen de grenzen van de figuratie en liefst in zwarten en grijzen. Ze houdt van de grafische werking. Soms gebruikt ze rood of bruin zonder daaraan een speciale betekenis te hechten al vindt ze rood wat agressiever en erotischer dan andere kleuren.

De grenzen rondom haar figuratie zijn overigens zeer ruim en ook wel rekbaar. Dan kan ze in de buurt komen van de gestuurde Rorschachtesten van Armando.

Ze zegt dat elk schilderij haarzelf is in een blijvende zoektocht: ,,Ik probeer de bodemloosheid in mezelf in en op te vullen.'' Vandaar de herhalingen, haar reeksen vormen een niet ophoudend vervolgverhaal over de eigen persoonlijkheid. Dat is typisch voor schilders met één motief. Morandi zette dezelfde potjes en kannetjes steeds iets anders neer, voor ons nauwelijks te zien, voor hem een wereld van verschil. Hetzelfde geldt voor onder vele anderen de zich tot koffieketels beperkende Klaas Gubbels die dagen zucht en prutst aan de lengte van een tuit. Het kan dan gaan om millimeters.

Diana Bogaerts herhaalt en blijft herhalen in series die tenslotte, zoals ze het zelf zegt, uitmonden in een teken, een signaal.

Van wat?

Ze blijft het antwoord schuldig.

Elk schilderij, soms grijs en dan in de verf tot vage omtrekken versmeltend dient zijn eigen confrontatie met de beschouwer aan te gaan.

Ze herinnert zich een serie koppen met handen voor het gezicht, die bij een joodse man de herinnering opriep aan zijn vermoorde familie, terwijl het een ander deed denken aan het moment dat hij voor zichzelf uitkwam voor zijn homoseksualiteit. Uiteraard had Diana Bogaerts zich bij het schilderen van de reeks niets van dat alles voorgesteld.

Ze wil, zegt ze dan, met haar werk ook twijfel aan het vanzelfsprekende, het vaststaande veroorzaken. Zoals de nog steeds geldende opvatting dat men wel een vrouwelijk naakt in de huiskamer kan hangen maar geen mannelijk naakt. Het bezoek zou dan kunnen denken dat de gastheer homo-erotische voorkeuren zou hebben.

En, weet Diane Bogaerts, tot voor kort poseerden op de Antwerpse academie vrouwen naakt, maar droegen de mannelijke modellen een lapje voor het geslacht. Aan zulke dingen denkt ze onder andere, als ze schildert.

Soms ook schrijft ze haar overpeinzingen op, die meestal met het schilderen te maken hebben, zoals:

er valt niets te verklaren

geen uitweg te zoeken

niets te bepraten

of enig verstaan

maar vindt in jezelf

de ogen om te bekijken

het beeld van een lijn

van onrust en trots

van lust en

zinkend genoegen

en laat dit dan

je spiegel zijn.

Diane Bogaerts, schilderijen. T/m 31 oktober in Pulchri Studio, Lange Voorhout 15, Den Haag.

Di t/m vr van 11-17.00u, za en zo van 13-17.00u.

De olieverven leken te vervloeien met de verweerde muren