Verstilde scènes uit de huiskamer

Een piramide van bosaardbeien. Het is een stilleven, maar het doet niet aan stillevens denken. Dit tafereel is van een plechtige verrukkelijkheid. De aardbeien geuren dauwfris en voluptueus.

Jean-Siméon Chardin schilderde ze tegen 1761, midden in een achttiende eeuw waarin Franse schilders als Boucher en Fragonard geliefd en bekend werden met hof- en historie-scènes vol allegorische schoonheid. In het Louvre zijn er honderden meters van te zien, zonder dat het oog wil blijven hangen.

En dan: `Men houdt stil voor Chardin, instinctief, zoals een reiziger vermoeid van de tocht zonder het zich te realiseren gaat zitten waar het groen en stil is, in de schaduw, waar water stroomt en alles tintelend fris is.' Zo omschreef de encyclopedist Diderot hoe hij zijn vriend Chardin zag, temidden van een schildertraditie die eerder behaagziek en verstandelijk was.

De grote tentoonstelling die tot 22 november in het Parijse Grand Palais aan Chardin is gewijd, geeft gelegenheid deze ingetogen ontloper van zijn eigen eeuw nader te ontdekken. Met 95 werken uit Frans en internationaal bezit wordt bijna de helft van zijn oeuvre getoond. De expositie, die volgens organisator en Louvre-directeur Pierre Rosenberg `kleiner maar mooier' is dan de Parijse overzichtstentoonstelling van twintig jaar geleden, geeft een goed beeld van een schilder die tijdloos modern was en weigerde verhaaltjes te vertellen.

Stillevens hebben Chardins werk altijd gedomineerd. Op zijn vierendertigste (in 1733) ging hij ook genreschilderijen maken; toen hij 49 was hield hij daar weer mee op. De stillevens van daarna bleven winnen aan diepte en stilte. Op de chronologisch ingerichte tentoonstelling zijn uit de eerste periode veel geschoten konijnen en patrijzen, flessen en fruitschalen te zien. Het mysterie van Chardin openbaart zich heel geleidelijk.

Een van de eerste Chardins waar mensen op voorkomen is Vrouw die een brief dichtplakt. We zien een elegant geklede jongedame van opzij toekijken terwijl een jongeman met een kaars knoeit, misschien om lak te smelten. De stoel waar zij op zit is wat onhandig tegen haar jurk geschilderd, maar 't geeft niet. Het ongeduld van de vrouw en de intimiteit van het moment absorberen de aandacht. Het kan een liefdesbrief zijn.

Chardin liet het bij deze scène uit de betere kringen. Hij voelde zich meer thuis in de huiskamer en de keuken. Of dat voortvloeide uit zijn teruggetrokken natuur of uit zijn ongebruikelijke, door bijna niemand met eigen ogen waargenomen schildertechniek – volgens Diderot schilderde hij net zoveel met zijn duim als met zijn kwast – is onbekend. De Zeepbellenblazer (uit het Metropolitan in New York) is vaardig geschilderd en als gravure in zijn eigen tijd een succes geworden, toen men wat moe was van de historiserende mooischilderij.

Het leidt geen twijfel, Chardin kon ook mensen schilderen. Rosenberg werpt in zijn inleiding tot de catalogus de vraag op of hij hen opzettelijk bewegingloos uitbeeldde, of niet in beweging kon vangen. Chardin bleef altijd een zwoeger, hoewel hij op den duur de erkenning kreeg van de Académie en vooral van Lodewijk XV, die hem een stipendium gaf en huisvesting in het Louvre, destijds koninklijk paleis. Chardin stierf er eenzaam in 1779 en was betrekkelijk snel vergeten.

Knechten, keukenmeisjes, een gouvernante, jongens en meisjes: Chardins blik blijft in de middenperiode van zijn leven gericht op een huiselijk universum, waarin maaltijden worden voorbereid en tafels gedekt. Hij neemt schijnbaar ongezien waar, zijn modellen kijken ons zelden aan. Zij worden betrapt op een verstild moment, in een toestand van moe zijn, even ophouden met spelen. Als Chardin terugkeert naar het stilleven, lijkt zijn palet warmer en glanzender. ,,Je gebruikt kleur, maar je schildert met je gevoel'', is een van zijn schaarse nagelaten uitspraken. Bonnard, Braque, Morandi moeten twee eeuwen later verwante zielen zijn geweest. Ook Chardin keek zachtmoedig naar het drama van het gewoonste, zonder verklaringen of instructies te geven.

Hij was geen moralist, maar vrolijkheid was evenmin een gewoonte. Behalve in de drie opwindende zelfportretten die hij tegen het eind van zijn leven maakte in pastel – zijn gezichtsvermogen liet hem niet meer toe met olieverf te werken. Wie is die aan Dirkje Kuik herinnerende figuur die ons, hilarisch en tragisch tegelijk, aankijkt? Een schilder die oog in oog met de dood laat weten dat hij er nog is, dat zijn werk niet was wat men dacht? Zijn stillevens brachten hem nauwelijks de helft op van wat zijn tijdgenoten met hun historie-schilderingen konden vragen. Chardin keek verder vooruit, visionair of omdat hij niet anders kon.

Tentoonstelling: Chardin. Grand Palais, Parijs. Dag. beh. dinsd. 10-20 uur, woensd. tot 22 uur. Tot 22 nov.