Spagaat in het Interbellum

December 1934. Een detachement van 250 Nederlandse mariniers is klaar voor vertrek naar het Saarland, waar het met 1500 Britten, 1300 Italianen en 250 Zweden namens de Volkenbond de orde en rust gaat handhaven. Namelijk rondom het referendum waarin de Saarlanders, conform het Vredesverdrag van Versailles van 1919, over hun staatkundige toekomst mogen beslissen: bij Duitsland, bij Frankrijk of verder onder toezicht van de volkerenorganisatie. Frankrijk èn het dan ruim één jaar oude nazi-Duitsland hebben stevig naar de gunst van de Saarlanders gedongen, Europa kijkt gespannen toe, de Volkenbond staat voor een vuurproef. Zijn toch al aangeslagen imago als organisatie voor collectieve veiligheid staat op het spel.

De commandant van het korps mariniers, C.J.O. van Dorren, heeft werk gemaakt van zijn toespraak en zegt zijn mannen dat hun land `trotsch is op groote figuren op volkenrechtelijk gebied'. En voegt daar alvast waarschuwend aan toe: `Houdt den naam van ons land, dat aan de spits gaat van de beschaving, hoog!'. En dat doen zij, het optreden van de mariniers wordt alom geprezen, euforisch zelfs in de vaderlandse media.

Over de operatie, die het grootste succes zou worden in de korte en tragische geschiedenis van de in 1920 opgerichte Volkenbond, is natuurlijk ook de Haagse body politic heel enthousiast. Vergeten lijkt dat Nederland, uitgenodigd als een van de neutrale landen uit de Eerste Wereldoorlog, eerst en als te doen gebruikelijk, zuinigjes had gereageerd op de uitnodiging en even zuinigjes had gestipuleerd dat het daarvoor niet zelf in de beurs wilde tasten. Maar Nederland had de morele plicht deel te nemen aan een collectieve actie in het belang van de wereldvrede. Het had bovendien politiek belang bij het rustig en ordelijk verloop van een volksstemming dicht bij zijn oostgrens. En die argumenten – we konden moeilijk weigeren en het had nog nut ook – hadden de doorslag gegeven. `Hier wordt nu de Volkenbondsgedachte in daden omgezet', had minister De Graeff (Buitenlandse Zaken, 1933-1937) de Tweede Kamer vooraf verzekerd. Het Kamerlid De Geer (CHU), de oud-premier (1926-1929) die later in het Interbellum leiding aan het laatste kabinet voor de Tweede Wereldoorlog zou geven (1939-1940), overtrof hem in zijn lofrede nog. Hij was blij verrast over het besluit tot deelneming nu de Volkenbond die nog maar weinig was gevorderd op het gebied van de internationale vredesbevordering. Hij vond dat een bijbelwoord (Genesis 8,11) waard: `(..) en de duif kwam tot hem tegen den avond, en zie, een afgebroken olijfblad was in haren bek; en zoo bemerkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.' De NRC deelde in de euforie en noemde De Geers speech `een parlementair meesterstukje'.

Het is maar een kleine Nederlandse gebeurtenis in een lange nationale en internationale reeks van grote en kleine verwikkelingen die Rembertus Cornelis van Diepen te zien geeft in zijn studie Voor Volkenbond en Vrede waarop hij dinsdag is gepromoveerd. Het is de geschiedenis van een door de idealistische Amerikaanse president Wilson bedachte volkerenorganisatie. Een organisatie die een einde moest maken aan een wereld waarin machtspolitiek en oorlogen de toon hadden gezet en die in plaats daarvan collectieve veiligheid en vreedzame beslechting van geschillen moest brengen.

Behoedzaam

Het was een mooie organisatie voor een klein vredelievend land als Nederland, met zijn voorkeur voor wereldwijde vrijhandel en een goede internationale rechtsorde. Een land dat zijn grote koloniale bezit in Oost-Azië zelf moeilijk tegen aspirant-kapers als Japan of China kon verdedigen. En dat als thuisland van de radicaal-ethische volkenrechtsgeleerde Van Vollenhoven, die al voor 1914 voor een internationale organisatie met een eigen (maritieme) politiemacht had gepleit, bijna vanzelf lid van de Volkenbond leek te moeten worden. Al diende Nederland dan wel zijn succesvolle neutraliteit van de negentiende en de vroege twintigste eeuw te vergeten en enig soevereiniteitsverlies te accepteren. Bovendien moest het met een voor de nieuwe situatie bedachte `zelfstandigheidspolitiek' voorzichtig opereren tussen de Europese en andere grootmachten. Net als voorheen, met het gezicht op vroom, behoedzaam en nooit erg uitgesproken in de ene of andere richting, altijd bang voor directoraten van de Europese groten, altijd in de weer om niet `meegezogen' te worden in de richting van de ene of andere grootmacht.

De voornaamste vraag van Van Diepens studie is hoe het land van de oude Europese balanspolitiek, waar velen meer voelden voor de volkenbondsgedachte dan voor de Volkenbond zelf, in deze nieuwe solidaire en collectieve veiligheidsgemeenschap toch zoveel mogelijk van zijn negentiende eeuwse neutraliteit en afzijdigheid kon bewaren.

Daarvoor was een ingewikkelde diplomatieke spagaat tussen oude en nieuwe politiek nodig. De auteur volgt de daarvoor nodige staatkundige acrobatiek van de hoofrolspelers op Buitenlandse Zaken, en van hun medewerkers in Berlijn, Londen, Parijs, Rome en het Volkenbond-hoofdkwartier in Genève op de voet. En passant portretteert hij in vaak rake streken minister-president Colijn ('33-'39) en de ministers Van Karnebeek, Beelaerts van Blokland, De Graeff, Patijn en Van Kleffens, de uitvoerende kunstenaars in één doorlopende Nederlandse voorstelling die na 1935 steeds meer eigen appeasement-waarde kreeg. Van Diepen ziet de Nederlandse politiek jegens de Volkenbond niet, zoals Boogman, Heldring, Scheffer, als idealistisch of legalistisch, maar als voorzichtig-conservatief en pragmatisch, praktisch en nuchter. Hij is het niet eens met Voorhoeve dat Den Haag in het Interbellum in feite het vertrouwde neutraliteitsbeleid voortzette. In plaats daarvan voelt hij zich, een nuance verderop, meer thuis bij H.W. von der Dunks omschrijving `pseudoneutraliteitspolitiek'.

Van Diepen beschrijft het lot van de mislukte Volkenbond en de typische rol van Nederland in een gedetailleerd verhaal, waarin de angsten en ambities van de grote en kleine landen scherp worden getekend. Hij laat er geen misverstand over bestaan dat Wilsons organisatie in feite niet kón slagen. De eerste gigantische klap krijgt zij als zijn rigide collectieve veiligheidsconcept het niet haalt in het Amerikaanse congres en de VS dus geen lid worden. De volgende grote klap loopt zijn plan op wanneer de VS, en Groot-Brittannië daarna, weigeren Frankrijk de door Wilson toegezegde veiligheidsgaranties te geven tegen Duitsland. Reden waarom Frankrijk ervoor zorgt dat de harde vredesvoorwaarden jegens Duitsland (`Versailles') en het Volkenbondverdrag worden geïntegreerd. Waarmee de vernedering van het grootste land van West- en Midden-Europa een institutioneel obstakel voor de volkerenorganisatie wordt en de mogelijkheid om Duitsland gaandeweg zijn natuurlijke plaats te hergeven van het begin af aan klein blijft.

Voor wie toch nog op beter hoopte, volgt eind jaren twintig bovendien de beurskrach in New York en een wereldwijde economische malaise, waarin sommigen reden zien om naar politieke bliksemafleiders en ruimte en grondstoffen elders te zoeken. Zoals Japan in China (Mantsjoerije-crisis, 1931-'33) en Italië in Ethiopië (1935-1936). Dan wel naar `eerherstel', zoals Hitler-Duitsland dat na de invoering van de dienstplicht `Versailles' opnieuw aan de laars lapt met de bezetting van het Rijnland (1936).

Voor de Volkenbond, die jegens Japan, Italië en Duitsland onmachtig blijft om met economische sancties, laat staan militaire, zijn verdragsrol te spelen is dat fataal. Machtspolitiek, cynisme en wantrouwen zijn niet verdwenen uit de internationale statengemeenschap, zoals Wilson en Van Vollenhoven ondanks de waarschuwingen van realisten in 1919 hadden gehoopt. In de tweede helft van de jaren dertig zien ook kleine landen als Nederland in de Volkenbond geen factor meer voor hun buitenlands beleid. In juli 1936 heeft Nederland in het gezelschap van zes andere (vooral: Scandinavische) landen trouwens al plechtig verklaard wat het in verband met zijn soevereiniteit en het behoud van manoeuvreerrruimte eigenlijk al veel langer vond: sancties van de Volkenbond zijn niet dwingend, of een land daaraan mee doet, moet individueel en van geval tot geval worden beslist. Den Haag heeft daarbij nog een verhaal óók. Namelijk dat de universaliteit van de Volkenbond en zijn morele betekenis met dit reculer pour mieux sauter, met deze heroriëntatie op een lager gezagsniveau, eigenlijk gediend zijn.

Machtspolitiek

Maar dan is in Europa het oude politieke spel allang weer op de wagen. Londen wil nu eens Duitsland in Europa geïntegreerd krijgen, dan weer nazi-Duitsland isoleren door de banden met Italië aan te halen (en, met de VS, de economische sancties tegen dat land te laten mislukken). Frankrijk aarzelt over de plaats en kracht van Duitsland, minister van Buitenlandse Zaken Barthou houdt veelal een harde lijn aan, zijn opvolger Laval lijkt vaker uit op accommodatie.

Zelfs Nederland doet soms aan internationaal stratego. Bijvoorbeeld wanneer minister De Graeff in 1936, voor de Volkenbondstoet uit, kiest voor een `de facto'-erkenning van het Italiaanse imperium (inclusief Ethiopië, waarvan de verovering door de Volkenbond unaniem als agressie is bestempeld). Nee, dat doen we niet `de jure', zegt Den Haag, wat elders in Europa natuurlijk voor casuïstiek wordt gehouden. Verklaring? Nederland, waar de begeerte van Japan jegens `ons Indië' wordt gevreesd, wilde Italië helpen apaiseren om zo te voorkomen dat de Britten in Europa te gebonden raakten om in Azië te helpen bij de eventuele verdediging van Indië tegen Japan.

Want op Londen rekende Nederland in geval van nood zozeer, zowel in Europa als in Azië, dat over Britse hulp zelfs niet gesproken of geschreven hoefde te worden. Of mocht worden, want als klein `zelfstandig' land wilde Nederland niet `meegezogen' raken in bilaterale of regionale veiligheidsovereenkomsten of anderszins al te duidelijk in één politieke positie herkenbaar zijn. Vaak probeerde Nederland er als het ware zelfs zo min mogelijk te zijn. Zelfs vragen naar het standpunt van hun regering moesten diplomaten steeds met grote behoedzaamheid beantwoorden. Want, Volkenbond of niet, nieuwe tijden of niet, de oude en voorzichtige baron de balance was in Den Haag blijven wonen.

Remco van Diepen:

Voor Volkenbond en Vrede. Nederland en het streven naar een nieuwe wereldorde 1919-1946.

Bert Bakker, 397 blz. ƒ59,90