Schoongewassen naakt

Het classicisme is een `vergeten' stroming in de Hollandse schilderkunst van de 17de eeuw. Programmatische kunst was het, met een duidelijke morele boodschap.

Of het een schok teweeg heeft gebracht is onzeker, maar het schilderij dat de in Amsterdam werkzame schilder Jan Gerritsz van Bronchorst omstreeks 1650 voltooide zal zonder twijfel spraakmakend zijn geweest. Het stelt een naakte vrouw voor die achteroverligt op een bed, terwijl, half in het duister, een jongetje toekijkt. Het werd destijds nuchter omschreven als een `slapend naeckt vroutge van Bronchorst'. Veertig jaar geleden werd ditzelfde schilderij omschreven als een `wél-verantwoord naakt in de gekozen houding van ontspannen-zijn toch zonder weekheid en niet academisch uitgebeeld'. Daarbij werd aangetekend: `een nabijgeslopen herder bespiedt de slaapster, meer beteuterd dan vermetel'. En nu, in de catalogus van de interessante tentoonstelling Hollands classicisme in Museum Boijmans Van Beuningen, komt de aap uit de mouw: dit is gewoon zeventiende-eeuwse pornografie. Weliswaar van het beschaafde soort, maar toch. De dame in kwestie ligt er behoorlijk uitdagend bij en het kereltje links is een herder die met zijn rechterhand een obsceen gebaar maakt.

De drie beschrijvingen van hetzelfde schilderij laten drie verschillende benaderingen zien. De eerste is die van een notaris die het werk zakelijk moest beschrijven, de tweede moet van een kunsthistoricus zijn geweest die met zijn ene been nog ergens in de negentiende eeuw stond en er een esthetisch-kuise terminologie op nahield. De derde uitspraak is het kind van de iconologie: men heeft in het schilderij aanwijzingen gevonden (de duim tussen de wijs- en middelvinger van het herdertje) dat het destijds inderdaad een ondeugende, zo men wil pornografische betekenis heeft gehad. Toch is dit niet de reden dat dit schilderij uit Braunschweig op deze tentoonstelling hangt. Het is een buitengewoon kalm, evenwichtig, uitgebalanceerd werk. Deze termen wijzen alle naar kenmerken van het `classicisme' waar deze tentoonstelling aan is gewijd.

Het idee van deze tentoonstelling van ruim zestig werken komt van de Utrechtse kunsthistoricus Albert Blankert, die sedert jaar en dag oproept tot herwaardering van deze `vergeten' richting in de Nederlandse schilderkunst. Naar zijn mening wordt het oordeel over de Nederlandse zeventiende-eeuwse kunst gedomineerd door, en geïdentificeerd met een beperkt aantal genres: landschap, portret, zeegezicht en stilleven. Men kent Rembrandt en zijn school, de vlotte penseel van Frans Hals en ook de Leidse fijnschilders hebben hun portie gehad, maar volgens Blankert is er nog één terra incognita: het classicisme.

Verhalend

Maar wat is dat nu precies?

Na het lezen van de fraaie catalogus – waarin ook twee essays staan over het classicisme in de Nederlandse bouwkunst en in de literatuur – en het zien van de tentoonstelling zou je kunnen zeggen dat wat hier wordt verstaan onder classicisme bepaald wordt door enerzijds de voorstelling en anderzijds de manier van schilderen. Wat dat eerste betreft: de voorstellingen zijn bijna alle verhalend van aard, het zijn historiestukken, dat wil zeggen figuurstukken die als thema een tafereel uit de mythologie, de bijbel of de meer recente geschiedenis hebben. Historiestukken werden destijds in de kunsttheorie als het hoogste beschouwd, maar werden vanaf de negentiende eeuw eigenlijk `onhollands' gevonden. Dat soort schilderijen is daarom lang uit het zicht geweest, maar sinds de tentoonstelling God en de Goden in 1981 in het Rijksmuseum en na een aantal publicaties, zal niemand meer kunnen volhouden dat ze echt genegeerd zijn. Bovendien hangt veel werk dat hier wordt vertoond gewoon in musea.

De classicistische schilderijen zijn vrijwel allemaal historiestukken, schilderijen die een morele boodschap uitzenden. Maar niet alle historiestukken zijn classicistisch. De classicisten lieten zich inspireren door de kunst van de Oudheid, en door die van de Italiaanse renaissance. Voor de classicist moest niet de alledaagse, zichtbare werkelijkheid worden weergegeven, maar een geïdealiseerde werkelijkheid, een wereld van een hogere orde. `Het mooiste uit de natuur', of `het mooiste van de mens', zou het devies kunnen heten. Rembrandt, om maar iemand te noemen die toch menige bijbelscène op zijn naam heeft staan, komt in het hele verhaal niet voor en wel omdat hij in de ogen van toen niet in de juiste schilderstijl werkte, maar op een nogal rauwe, weinig respectvolle wijze met zijn onderwerpen omging. Hij koos juist in zijn historiestukken voor alledaagse lieden, met knoestige koppen, gebutst en gebeukt. Is het naakt van de classicist Van Bronchorst fraai van proportie, gaaf, edel en schoongewassen, Rembrandt liet bij een dergelijke voorstelling niet na het lichaam weer te geven compleet met bulten en vetrollen of zelfs met de moeten van kous of korset.

En zo zien we op de tentoonstelling uitgewogen voorstellingen, zorgvuldig en beheerst opgebouwd in koele tinten, met weinig dramatische licht-donkercontrasten en glad geschilderd. Het totale effect is dat van ordelijkheid en afstandelijkheid.

De tentoonstelling bestrijkt een periode van een kleine eeuw, van ongeveer 1610, toen in Haarlem, de bakermat van het classicisme, Hendrick Goltzius na een reis door Italië zijn eerste classicistische werk voltooide, tot het eind van die eeuw, toen Adriaen van der Werff in Rotterdam en Gerard Lairesse in Amsterdam triomfen vierden. Van der Werff, wereldberoemd in zijn tijd, is nu vooral bekend om zijn historiestukken op klein formaat, maar op de Rotterdamse tentoonstelling hangt een verrassend groot, fris doek, een arcadische tuin met een herder en herderin, door een contemporaine kenner omschreven als `een overheerlyk lantschap' met een eikenboom waarvan de schaduw op de herder valt die `gloeiendt van coleur' is, waar `het naekt der Harderinne, dat zuiver blank en blozent van coleur is, zich zeer aengenaem by vertoont'. Je zou zo willen aanschuiven.

Gerard Lairesse was de eigenlijke codificator van het classicisme. Op latere leeftijd blind geworden, dicteerde hij zijn opvattingen over de regels van de kunst en in 1707 verscheen zijn Groot Schilderboek, een werk met gedetailleerde richtlijnen. Niet alleen voor de hele compositie bestonden regels, die vaststelden hoe men een tafereel moest regisseren tot een overzichtelijke eenheid, maar ook hoe de onderdelen, de rekwisieten, de attributen en het menselijk lichaam moesten worden weergegeven. De classicistische schilder had dus een goede leidraad en omgekeerd kon de kunstbeschouwer toetsen of de kunstenaar zich aan de regels gehouden had (Rembrandt had dat bijvoorbeeld niet). Het classicisme is dus bij uitstek controleerbare kunst.

Oranjezaal

Deze kunst was intellectueel, bestemd voor de elite. Juist omdat het programmatische kunst is, die op een duidelijke manier een tafereel weergeeft en daarmee een boodschap uitdraagt, zien we classicistische schilderijen in openbare gebouwen. En het is niet verwonderlijk dat bij de vele bouwactiviteiten van stadhouder Frederik Hendrik classicisten werden ingeschakeld. Dat gold voor zijn paleizen Honselersdijk en Rijswijk; later liet zijn weduwe Amalia van Solms de Oranjezaal van haar paleisje Huis ten Bosch inrichten als mausoleum voor haar echtgenoot. Hiervoor werden acht schilders gekozen en tezamen hebben zij een ensemble van dertig schilderijen gemaakt dat nog steeds verbluft. Omdat Huis ten Bosch niet openbaar toegankelijk is, is het een buitenkans om op deze tentoonstelling drie grote doeken te zien, van Salomon de Braij en Pieter de Grebber. Niet alleen kregen schilders opdrachten van Haagse hofkringen, maar ook van openbare instellingen als stadhuizen, waterschappen, weeshuizen en oudemannen- en vrouwenhuizen. Het meest beroemde schilderkunstige programma werd geleverd voor het Amsterdamse stadhuis.

Wie gewend is weg te dromen bij Hollandse vergezichten of tot deemoed te vervallen bij het aanschouwen van een sober stilleven, kortom bij schilderijen die een universeel soort herkenbaarheid bezitten, zal zich moeten prepareren op deze tentoonstelling. Hoe statisch en uitgewogen de voorstellingen ook zijn, er gebeurt veel en men moet zich inleven in episodes uit het Oude en Nieuwe Testament en uit de Metamorfosen van Ovidius, om te begrijpen in wat voor situatie Eliëzer en Rebecca, Jupiter en Callisto, of Mercurius, Argus en de arme, tot koe omgetoverde waternimf Io nou eigenlijk verwikkeld waren. En vooral zal men moeten kijken naar de keuzes van de schilder: welk moment heeft hij gekozen (liefst zo, dat zowel de aanleiding als het nog te volgen effect in één handeling zijn samengevat). Hoe heeft hij de hoofdfiguren en de bijfiguren gerangschikt en natuurlijk: hoe heeft hij het geschilderd zodat het niet te afstandelijk koel is, waartoe het classicisme alle aanleiding geeft, maar toch met een element van menselijkheid. Dat laatste lijkt mij een typische trek van het Hollandse classicisme. De personages, althans de koppen zijn meestal niet zo sterk geïdealiseerd, dat men er niet individuele trekken in kan herkennen. Sterker nog: bij menig schilderij kun je je heel goed voorstellen dat het geen arcadische herders en herderinnen zijn, geen goden en godinnen, maar gewone Hollanders. Denk de kledij weg, ruk de lauwerkransen van hun slapen, trek de naakten een laken pak, of een satijnen jurk aan en je hebt Hollandse blozende burgers.

Dat de grens tussen classicisme en andere genres niet zo heel scherp te trekken is, blijkt uit de keuze voor deze tentoonstelling. Er hangt bijvoorbeeld ook een aantal portretten. Het zijn vooral de stijl en de voornaamheid van compositie die hun aanwezigheid moeten verantwoorden. Zo hangt er van de Alkmaarse schilder Caesar van Everdingen, die terecht het best vertegenwoordigd is (met veertien schilderijen), een schuttersportret dat gekozen is wegens zijn waardige, evenwichtige uitstraling. Van dezelfde schilder is er een aandoenlijk portret van een tweejarig jongetje in een Noord-Hollandse polder. Ook het enige jaren geleden door het Rijksmuseum verworven `Vrouw Winter' is ongemeen sterk, evenals zijn schilderij van een borstbeeld van Venus, versierd met een lichtroze draperie en met groene ranken. Het gelaat is afgewend, wat de hele voorstelling, in gedempt licht, een grote geheimzinnigheid verleent. Minstens zo indrukwekkend zijn de portretten van Jan de Braij (een van de andere coryfeeën), zoals dat van zijn ouders. Het is een onorthodoxe compositie. Vader en moeder zijn achter elkaar in profiel afgebeeld, vader voor en moeder achter. Het hangt hier omdat het zo'n rustig en waardig portret is.

Ook na het zien van deze tentoonstelling blijft het `classicisme' een ongrijpbaar begrip. Bij elke poging tot definiëren is wel een tegenargument te bedenken. Classicisme is koel en afstandelijk. Toch hebben vele schilders zich door de barokke Rubens laten inspireren. Men legde zich toe op `edele' thema's, maar waarom dan zoiets gewoons als een portret? Het is intellectuele, duurbetaalde kunst. Dat is waar, maar ook de niet-classicistische topschilders kregen hoge bedragen voor hun werk. En de intellectuelen van die tijd, de kunstliefhebbers, de regenten en zelfs de stadhouders bezaten ook `gewone' onderwerpen zoals portretten, landschapjes, stillevens van bloemen, wild, gevogelte of schelpen. En niet te vergeten naakten, die er lang niet altijd even verheven bijlagen.

Hollands Classicisme. Het andere gezicht van de Gouden Eeuw. T/m 9 januari in Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam. Van 9 februari t/m 30 april 2000 in het Städelsches Kunstinstitut te Frankfurt. De catalogus kost ƒ 95,-. In Museum Boijmans van Beuningen is tegelijkertijd de tentoonstelling `Veelzijdige Talenten' te zien, over architectuurontwerpen van classicistische schilders.

De classicist schilderde een wereld van een hogere orde

Dit zijn geen arcadische herders of godinnen, maar gewone Hollanders