Rot op met je pokkecultuur

`Dank u wel meester', roept de elfjarige Polleke haar meester achterna, als die haar huis verlaat. `Ik snap nu veel beter wat een rivierdelta is.' Maar het is al te laat. Iedereen praat over de meester die bij Polleke thuis was, niet voor haar, maar voor haar moeder. Pollekes vriendin Caro zegt opgelucht: `ik ben blij dat mijn vader homo is. Dan krijg je dat soort praatjes niet.' Eindelijk. Na lange jaren van stilte is er een nieuw kinderboek van Guus Kuijer, getiteld Voor altijd samen, amen.

Hoofdpersoon Polleke leidt een ingewikkeld leven in de grote stad. Haar vriendje Mimoen maakt het uit omdat zij dichter wil worden. Hij vermoedt dat dat niet mag `in zijn cultuur', een vrouwelijke dichter. `Rot jij maar op met je pokkecultuur', schrijft Polleke woedend, vervuld van liefdesverdriet. Helaas vindt de meester het briefje en begint prompt een antiracisme-project. `Ik weet nu dat je elkaar mag uitschelden voor rotte aardappel. De rest is racisme', meldt Polleke naderhand laconiek. Mimoen blijkt wel met een dichteres te mogen gaan, maar niet met een Nederlandse. Alleen met een Marokkaanse. Dus uit is het toch. `Misschien word ik gewoon lesbisch. Dan ben ik van dat gedoe met Mimoen af', denkt Polleke.

Polleke is een ondernemend kind. Een jongen die haar vriendin belaagt, stompt ze op zijn neus. Als haar vader in de gevangenis belandt, gaat zij hem er wel even uit halen. Pappa `dielt' omdat hij hasj moet kunnen kopen, legt ze de gevangenisportier uit. Alleen als hij hasj rookt, kan hij gedichten schrijven. Maar dan ineens voelt ze dat ze daar zelf niet meer zo in gelooft. Pappa schrijft eigenlijk nooit een gedicht. Pappa is een lapzwans, altijd en eeuwig op zoek naar zichzelf, zonder ooit iets te vinden. In Voor altijd samen, amen, begint Polleke afscheid te nemen van haar geloof in haar vader, van haar kindertijd. Noodgedwongen. `Jij bent geen kleine meisje meer', zegt Mimoens moeder. `Goeie meisje, maar geen kleine meisje. Morgen of overmorgen jij opeens oeps! borsten.'

Als Polleke het ook allemaal niet meer weet, bidt ze tot de God van opa en oma, waar ze graag in zou geloven. Ze legt Hem uit hoe het allemaal zit, tussen haar en Mimoen: `Wij moeten uit elkaar, want in groep acht zijn we al bijna grote mensen. Grote mensen houden ervan als dingen niet mogen. Amen.' Grote mensen zijn raar, over het geheel genomen. Om niet te zeggen dat je er maar beter soep van kunt koken. Ze zijn bijvoorbeeld `gek op wandelen': `Je loopt, je komt nergens en dan loop je weer terug. Dat is wandelen. Ik vind er niks aan [-].' De verbijstering waarmee Polleke volwassenen beziet, maakt haar tot een echte Kuijer-heldin. Ze vindt grote mensen soms ook onbeschoft: `Waarom begrijpen grote mensen nooit wat wel en niet kan? Hebben ze dan geen fatsoen in hun donder?', vraagt ze zich af.

Guus Kuijer, geboren in 1942, debuteerde na drie boeken voor volwassenen als kinderboekenauteur met Met de poppen gooien in 1975. Hij kreeg onmiddellijk de Gouden Griffel voor dit eerste boek over Madelief. Allerlei bekroningen volgden. Maar Kuijer was het lang niet altijd eens met de motivering van de jury's. Hij werd geroemd omdat hij een eenoudergezin had geschapen voor Madelief, en gruwde daarvan. Het was niet zijn opzet in zijn boeken een probleem aan de kaak te stellen. Tegen de geest van de tijd in geloofde Kuijer niet in zoiets als `roldoorbrekend schrijven.' Hij rotzooide maar wat aan.

Kuijers walging voor kinderboeken die volgens een vast recept waren geschreven, speciaal om iets als `homoseksualiteit' of `drugs' te `behandelen', is goed voorstelbaar. Stilistisch stijgen zijn boeken daar dan ook mijlenver bovenuit. Truttig of houterig schrijft Kuijer nooit. Zijn boeken zijn niet schematisch opgebouwd en de personages lijken op echte mensen. Kuijers werk is bovendien veel humoristischer dan `probleemboeken' doorgaans zijn. Maar zoals het moeilijk te geloven is dat Madelief puur toevallig alleen een moeder heeft, is het ook ongeloofwaardig dat Polleke zomaar een verslaafde vader heeft en een Marokkaans vriendje. Of dat ze zich zomaar afzet tegen volwassenenen en hun gewoontes.

Guus Kuijer heeft wel degelijk een boodschap, maar die verpakt hij prachtig. Ouders en kinderen leven langs elkaar heen. Ouders onderschatten de opmerkingsgave van hun kinderen. Ze denken dat hun kinderen in een droomwereld leven. Kinderen denken dat tot op zekere hoogte van hun ouders en voelen zich soms voor hen verantwoordelijk. Het onbegrip en de machtsstrijd tussen volwassenen en kinderen is een stokpaardje van Guus Kuijer. Hij biedt een overtuigend omgekeerd perspectief op de wereld. Polleke is bang voor wat er gezegd wordt over haar moeder en de meester, maar kan het haar niet uitleggen:`Wat wist mamma van het leven buiten? Ik leefde daar, op straat en op het schoolplein. IK moest het gescheld verdragen, zij niet.'

Polleke en haar vriendin Caro proberen inzicht te verwerven in die rare volwassen wereld. Polleke heeft een `IP', een Ingewikkelde Pa, met kinderen uit eerdere en latere huwelijken. Maar Caro heeft zelfs een `ZIP', een Zeer Ingewikkelde Pa. Haar moeder wilde een kind, maar haar man wou dat niet. Een bevriende homo wou wel en dus kwam Caro, uit een buisje. Hij is nu haar pappa maar hij woont niet bij haar. De man van haar moeder heet Evert, en zo noemt Caro hem ook. Deze Evert is er elke dag, ruimt haar kamer op, brengt haar naar ballet. `Soms zeg ik per ongeluk pappa tegen hem. [-] En als ik dat per ongeluk zeg, dan probeert `ie niet te laten merken dat ie dat héél leuk vindt. Zo schattig! Dus zeg ik steeds vaker per ongeluk pappa tegen hem.' Kinderen die hun ouders vertederend vinden; het is een typische Kuijer-omdraaiing, die overigens wel reëel is.

Kuijer weet aannemelijk te maken dat er in Voor altijd samen, amen een elfjarige aan het woord is, door zorgvuldige, korte zinnen te schrijven, in de tegenwoordige tijd, met veel uitroeptekens en stopwoorden. Polleke zegt steeds `Echt wel', als ze iets heel erg meent, net als haar beste vriendin. Als iemand Polleke een vraag stelt, zie je haar als het ware nadenken, alleen al door de opmaak. De tekst verspringt een regel en dan staat er: `Ja, dat was zo.'

Vernieuwen doet Kuijer zich in dit boek niet. Er staan veel typische Kuijer-uitdrukkingen te lezen als `Allemensen' (of `Ammehoela'). En typische Kuijer-grappen, die vaak door herhaling ontstaan: `Ik wil nooit van mijn leven iets met een jongen', zegt Caro, `want het zijn allemaal oenen.' `Ja', zeg ik. `Op het kruispunt staan een paar oenen te voetballen.' Ook is hij als vanouds een meester in het geestig weergeven van verlegenheid. Mimoen komt eraan. Polleke staart naar de grond en zegt tegen Caro: `Mooi gemaakt hè, zo'n straat met al die straatstenen?'

Het verschil met de eerdere boeken is dat de wereld van Kuijers hoofdpersoon verhard is, chaotischer is geworden. Gelukkig heeft ze een toevluchtsoord, buiten, bij opa en oma op het platteland, waar ze zelfs een eigen kalf heeft. Volwassen bejaarden zijn bij Kuijer minder erg dan volwassenen in de kracht van hun leven. Ze zijn milder en liever. Goedig vertelt opa hoe hij moest vechten voor oma, zoals Polleke voor Mimoen. Haar ouders wilden iemand `van het dorp' en opa kwam uit een ander dorp, drie kilometer verderop. Vandaar.

Er is maar een bezwaar aan Voor altijd samen, amen. Polleke schrijft gedichten. En die gedichten klinken te ouwelijk, zelfs voor zo'n nadenkend Kuijerkind. `Als ik een koe zie/ weet ik dat God bestaat/ maar als ik haar dat zeg/ begint ze boe te roepen.' Het is leuk bedacht, maar niet door een elfjarige.

Guus Kuijer: Voor altijd samen, amen. Met illustraties van Alice Hoogstad. Querido, 94 blz. Vanaf 9 jaar. ƒ24,95