Reis langs de armoedegrens

De typische gettowoning is een solide ogend duplexhuis op een stukje grond. Er hangen geen jongeren rond op straathoeken. En bedelaars zijn betrekkelijk zeldzaam. Maar de armoede hier is intens. Van binnen zijn deze woningen dikwijls smerig en deprimerend, met wel vijf of zes gezinnen samenhokkend.'' Michael Massing, schrijver en hoogleraar journalistiek aan Columbia University, doet in The New York Review of Books verslag van zijn bezoek aan Milwaukee, Wisconsin. Massings ontdekkingsreis naar de resultaten van het work-fare-programma waarmee deze staat beroemd is geworden, was geïnspireerd op het boek No Shame in My Game: The working Poor in the Inner City door Katherine S. Newman. Het is weer eens iets anders wanneer een recensent zijn oordeel aanvult met zijn bevindingen als verslaggever.

Work-fare (Wisconsin Works, W-2) kwam twee jaar geleden in Wisconsin in de plaats van welfare (sociale zorg) en staat model voor het motto `Werk, werk, werk' dat ook in Nederland aan populariteit wint. Het gaat uit van de ervaring dat de armoedeval potentiële werknemers in bijstand en WW houdt en van het dogma dat werk het individu tot zelfontplooiing en zelfrespect brengt. Wisconsin had een goedgunstig sociaal zekerheidsbeleid en trok daardoor zelfs behoeftigen uit andere staten aan. Dankzij W-2 is het beroep op de bijstand met meer dan negentig procent gedaald ten opzichte van tien jaar geleden tegen een landelijke daling van 47 procent sinds begin 1994. W-2 eist van uitkeringstrekkers dat zij werk zoeken of scholing en training ondergaan. Twee jaar is de limiet van de integratieprojecten en niemand kan in totaal langer dan vijf jaar ondersteuning verwachten.

Massing heeft gesproken met voor- en tegenstanders van W-2, met cliënten, hulpverleners en beheerders van het project. Hij vernam van insider Joe Volk dat W-2 een driedeling veroorzaakt. Voor eenderde van de uitkeringstrekkers is W-2 een goeie zaak. Zij hadden een zetje nodig en verdienen nu een uurloon van negen à tien dollar. Eenderde, in het midden, verdient zes tot zeven dollar per uur, waarschijnlijk in de particuliere sector. Zij staan op om vier uur in de morgen, hebben twee uur nodig om hun kinderen naar de opvang te brengen, gaan naar hun werk, zijn weer twee uur bezig om hun kinderen op te halen. ,,Zij zijn niet veel beter af dan in de bijstand'', noteert Massing. Het onderste derde mist de nodige vaardigheden en heeft psychische, drugs- of drankproblemen. Verhuurders vertellen het verhaal van bijstandmoeders die voorheen, in de bijstand, haar zaken redelijk voor elkaar hadden, maar niet aan de voorwaarden van W-2 konden voldoen, vervolgens de huur niet meer betaalden, aan de drugs raakten en op straat terechtkwamen. ,,Voor deze onderlaag is W-2 een ramp'', is Volks harde oordeel.

Het hoofd van W-2, Jean Rogers, hanteert andere getallen. Als je een beleid voor mensen maakt, zegt ze, moet je er zeker van zijn dat dat beleid zich richt op de noden van 85 procent en voldoende flexibiliteit heeft om ook de noden van de resterende vijftien procent te dienen. Volgens Rogers was het met de bijstand omgekeerd: die richtte zich op de vijftien procent maar functioneerde niet voor de resterende 85 procent. Voor de vijftien procent zeer moeilijke gevallen moeten misschien de limieten worden opgeschoven, voor de rest geldt, meent Rogers, dat ,,overgang soms pijnlijk kan zijn''.

Ook de cliënten zelf verschillen van mening. Massing woont een W-2-les bij voor zeven vrouwen over kindervoeding. Een van de moeders heeft voor een uurloon van zes dollar gewerkt, maar is in februari als gevolg van slapte in de business ontslagen. Haar maandhuur bedraagt 460 dollar. Zij krijgt nu acht uur per dag W-2-scholing. De eerste W-2-cheque komt op zijn vroegst aan het eind van de maand. Zij vreest door de verhuurder te worden uitgezet. Een andere, jeugdiger moeder toont zich tevreden. Zij wordt voorbereid op sollicitatiegesprekken, zij wordt geholpen bij het zoeken van werk en intussen wordt haar kind opgevangen.

,,Ja, zoals ik ontdekte tijdens mijn bezoek, is W-2 dikwijls het onderwerp van tegengestelde oordelen'', verzucht Massing. Maar hij kiest vervolgens wel. De afstand tussen de vijftien procent van Rogers (zie boven) en de dertig procent van Volk is groot, meent hij. ,,Er is geen zekere manier om te weten wat dichter bij de waarheid is, maar als we het grote aantal armen beschouwen die niet in staat zijn gebleken werk te vinden, en degenen toevoegen die niet in staat waren hun baan te behouden en rekening houden met de lage inkomens van de meesten van hen die niet langer bijstand genieten, lijkt Volks schatting juister.'' En hoewel hulpverlenende instellingen geholpen hebben de groeiende nood te lenigen, neemt het aantal hongerlijders en daklozen toe, concludeert Massing.

Toch ziet Massing een positieve kant aan hervorming van de sociale zekerheid. Maatregelen om werkende armen te ondersteunen krijgen meer gehoor. ,,Wanneer de armen in de bijstand werkende armen worden, neemt de zorg voor hen toe'', zegt een adviseur van Milwaukee's burgemeester John Nordquist (Democraat). In Wisconsin is inmiddels kinderopvang en medische zorg voor de werkende armen beschikbaar gekomen. ,,Hoe kunnen we zeggen: we verwachten dat u werkt, maar u blijft arm'', vraagt deze deskundige zich af.

Ook aan de andere kant van het politieke spectrum signaleert Massing verandering in de beoordeling van armen. Dick Amery, de leider van de Republikeinse meerderheid in het federale Huis van Afgevaardigden hield onlangs een pleidooi ,,om alle Amerikanen in staat te stellen om zich van een fatsoenlijke ziektekostenverzekering te voorzien.'' Was dat niet een van de doelen die Bill Clinton zich in zijn eerste presidentiële termijn had gesteld? Maar aan het eind van diens presidentschap is, als we Massing mogen geloven, het aantal onverzekerde Amerikanen alleen maar toegenomen.

Het armoedeprobleem splitst zich op in twee categorieën: de groep voor wie `werk, werk, werk' niet werkt en de groep die weliswaar aan de slag komt, maar er toch niet in slaagt zich een geregeld, kostendekkend inkomen te verwerven. Ook Massing beweert niet de oplossing in pacht te hebben. Het beste wat hij kan bedenken is een systeem van loontoeslagen voor werkenden die ondanks hun werk de armoedegrens niet weten te doorbreken. Als work-fare leidt tot versteviging van het politieke fundament onder de sociale zorg is er wat gewonnen. Maar Massings reportage uit gidsland Wisconsin laat zien dat daarna de gevolgen van de armoede pas echt aan het licht treden.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.