Onze doden zullen leven

Pas als de doden werkelijk dood zijn, kunnen ze tot leven worden gewekt. Veertigste aflevering in Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Eenzaam stierf de Zangeres Zonder Naam. Nu dreigt de vergetelheid. In de eerste aflevering van zijn serie Lange leve de victorie! schetste televisiemaker Michiel van Erp een portret van Jan van Dam, die wanhopig begaan is met haar nagedachtenis. Je zag Jan en zijn zuster voor het befaamde huis in Stramproy, een paradijs vol Biedermeierbarok, dat nu leeggehaald was en te koop stond. Zittend in een taxi schudden broer en zus verdrietig het hoofd over zoveel vergankelijkheid. Later bezochten ze een veiling waar de talloze snuisterijen van de dode Zangeres voor een appel en een ei van de hand gingen.

Overal verdwenen de tastbare herinneringen aan een leven. Het geplooide gezicht van Jan stond steeds somberder. Zijn verhaal besloot met een verbluffende apotheose: hij maakte de gestorven Zangeres weer levend door haar te worden. Gekleed in een glitterjurk en met een zwarte krullenpruik op zijn hoofd moest hij bijna huilen toen een jonge taxichauffeur Haar in hem herkende. Het eindigde op de bar van een of ander Limburgs café, waar Jan als de Zangeres een selectie van haar grootste successen meezong met de band.

Het was absurd, het was beklemmend en het deed me denken aan Alceste, de opera van Gluck, die deze dagen door De Nederlandse Opera wordt opgevoerd. Koning Admete is ten dode opgeschreven, het orakel heeft zijn dood aangekondigd, maar zijn vrouw Alceste geeft haar eigen leven in ruil voor het zijne. Admete weigert echter haar offer te aanvaarden en gaat haar achterna de onderwereld in. Allebei willen ze hun leven voor de ander geven. Het wordt nog een heel gevecht, maar dan komt de deus ex machina: van Apollo mogen ze allebei terugkeren tot het leven. Er hoeft niemand dood. De dood is onverdraaglijk, en dus zullen onze doden leven.

Die wens is zo sterk, dat je er gerust je geloofwaardigheid voor opoffert. Nuchter gezien is Jan van Dam een slecht lijkende travestiet die niet kan zingen, een tragische parodie wanneer zijn geliefde Zangeres hem zou kunnen gadeslaan, zou ze zich wellicht omdraaien in haar graf. Hij wil haar worden, dat straalt er vanaf, en tegelijkertijd is het meer dan duidelijk: hij is haar niet. De Zangeres is dood. En het einde van Glucks opera overtuigt alleen omdat je er zo graag in zou willen geloven; een man en een vrouw behoeden elkaar voor de dood, waarbij ze van bovenaf een handje geholpen worden. Hun liefde bestiert de boven- en onderwereld. Het is de wensdroom die iedere liefde in zijn greep houdt, dat je dood van je geliefde zult kunnen verhinderen door je eigen leven te geven. In je diepste wezen wil je blijven geloven dat liefde sterker is dan de dood.

Verbeelden kunnen we die wensdroom alleen via de kunst, door de namaakzang van Jan van Dam en de opera's van Gluck, omdat niemand er in gelooft wanneer ze in het dagelijkse leven wordt uitgesproken. Liefde is niet sterker dan de dood, dat is de pijnlijke waarheid. De liefde blijft altijd met lege handen achter. Mensen zijn sterfelijk en zelfs de grootste geliefden hebben het niet voor het kiezen. Degene die achterblijft zal geplaagd worden door schuldgevoel, omdat niet hij is gestorven.

Zo is het, en toch blijft het heel goed mogelijk in de intense wensdroom van de liefde te blijven geloven. De verschrikking van de dood wordt niet ontkend, de achterblijvers zijn echt radeloos. Jan van Dam ziet het lege huis te koop staan, Alceste ziet haar man op zijn sterfbed liggen. De dood wordt in al zijn onherroepelijkheid ervaren, en juist omdat dat onverdraaglijk is voor de achterblijver, wordt de harde waarheid geweld aangedaan.

Hij is niet dood, omdat ik dat niet wil. Hij moet terugkomen, omdat ik niet zonder hem kan leven.

Dat maakt die ongeloofwaardige gelukkige afloop in de kunst zo ontroerend ze komt rechtstreeks voort uit de wanhoop van gemis.

Die wanhoop wordt in het echte leven steeds minder op prijs gesteld. Over de dood wordt in het openbaar weinig meer gesproken. Het is, in mediatermen, nauwelijks onderwerp van discussie. En wanneer dat wel gebeurt is dat altijd in troostrijke termen. Bij de dood hoort blijmoedigheid, lijkt het. Televisiesterren en acteurs zijn ervan overtuigd dat zij terugkomen, als een ander mens of als een dier, maar het liefst toch als zichzelf. Ze spreken over hun begrafenis alsof het om een heel fijn feest gaat, waarbij iedereen vooral veel lol moet hebben zij hebben immers gelééfd?

De rituelen rondom het laatste afscheid zijn afgevlakt of verdwenen en een hedendaagse crematie munt uit in betekenisloosheid. Heftige gevoelens en hysterisch rouwbeklag als dat van Alceste worden niet aangemoedigd, de dood lijkt geworden tot een afscheid op een anonieme luchthaven alleen heeft niemand meer een idee waar de dode naartoe gaat. Geen wonder dat iedereen altijd klaagt over de koffie en de cake in crematoria, het zijn de dingen waaraan het verhevigde bewustzijn van de achterblijvers zich op richt, omdat er zo weinig anders is.

Dat is de nieuwe taboe: de dood van een geliefde mag niet onverdraaglijk zijn. Kunstenaars knutselen vrolijke, kleurige doodskisten, het crematorium heeft leuke design-urnen in de aanbieding. Je kunt al een echte zanger huren om aan dat haperende, eeuwig vervormde geluid van het antieke casettedeck te ontsnappen. Bekende mediafiguren worden met veel avantgardistische vreugde naar hun laatste rustplaats gevaren en het dansen gaat nog de hele nacht door.

De dood is een voortzetting van het leven met andere middelen.

Zouden daar echt zoveel mensen in geloven? Het eigenaardige is dat hele massa's zich wel overgeven aan massaal rouwbeklag wanneer prinses Di tegen betonnen pilaar rijdt of wanneer JFK Junior te pletter stort. Dan wordt de dood plotseling wel weer als iets ondraaglijks voorgesteld, iets waar je geen vrede mee kunt hebben. Dat verdriet is spontaan, onvoorspelbaar en onstuitbaar, het is als een vloedgolf. Het verdwijnt weer, omdat je geen persoonlijke relatie met de dode had. Maar dan komt er alweer een nieuwe golf op.

Wanneer hysterie zo alomtegenwoordig is, moet er wel iets belangrijks onderdrukt worden. Wanneer je de doden weer tot leven wilt roepen, zul je eerst moeten beseffen dat ze werkelijk dood zijn, dat het verlies onherstelbaar is en het gemis ondraaglijk. Je zult de verschrikking van de dood van een geliefde onder ogen moeten zien.

Dat deden Jan van Dam en Alceste, en daarom kregen zij hun doden terug.