Maria geeft aanstoot

Door poep en porno in de schilderkunst staan in New York een museum en een burgemeester onverzoenlijk tegenover elkaar - en dat komt beide goed uit.

In een rammelende auto reden de kunstenaar Christo en zijn vrouw Jeanne-Claude in 1975 door de schrale heuvels in het noorden van Californië. Bij de ene na de andere boerderij draaiden ze het erf op, om achterdochtige, soms zelfs vijandige boeren te vertellen over hun nieuwste project. Christo wilde een veertig kilometer lang wit gordijn over het land spannen, van doorgangsweg 101 tot aan de rotsige kust. En hij had toestemming van de boeren nodig om zijn Running Fence, zoals hij het reusachtige gordijn noemde, op hun grond te laten verrijzen.

Kunst, laat staan hedendaagse kunst, was niet iets waar de bewoners van deze streek automatisch voor warmliepen. Een van hen schreef aan een plaatselijke krant: ,,God heeft zeker niet de bedoeling gehad om uit deze heuvels een ruim vijf meter hoge nylon schutting te laten ontspruiten. De schoonheid van ons land is beter gediend met de drek van het lokale vee dan met dit uitwerpsel.'' Het verzet tegen het plan, kortom, was heftig en soms hard van toon.

Maar Christo en zijn vrouw waren vastbesloten om de boeren te overtuigen. In lange gesprekken aan keukentafels, in stallen en op veemarkten zetten ze het plan uiteen. En langzamerhand overwonnen ze de weerstand tegen het ongewone, nog te bouwen kunstwerk. Een onvergetelijke documentaire die over het project is gemaakt, en die ook Running Fence heet, laat mooi zien hoe de ene na de andere tegenstander zich gewonnen geeft, hoe de scepsis omslaat in enthousiasme.

En zo slingerde er in september 1976 een sierlijk geplooid wit gordijn door de roodbruine Californische heuvels. Het stak hier en daar een weg over, wurmde zich door een dorpje of tussen wat bomen door, dook de kale heuvels weer in en daalde ten slotte af in de golven van de Stille Oceaan. Het was een prachtig kunstwerk, en een groot deel van de lokale bevolking genoot er niet alleen van, maar was er zelfs trots op. De rel was bezworen, de kunst had gewonnen.

Op zo'n ontroerend happy end hoeft in Brooklyn niemand te rekenen. De bittere ruzie die daar nu al twee weken woedt over de tentoonstelling `Sensation', een verzameling hedendaagse Britse kunst, laat zich niet meer sussen. De gedachte dat een gesprek nog iets zou kunnen oplossen is lachwekkend. De inzet is te hoog. Het culturele klimaat te zeer verkild. En de harde confrontatie bevalt beide partijen veel te goed.

De burgemeester van New York, Rudolph Giuliani, geniet van zijn rol als boeman van de kunsten. Als het Brooklyn Museum of Art de omstreden tentoonstelling niet aflastte, dreigde hij, dan zou hij de subsidie aan museum stopzetten, het bestuur wippen en de huur opzeggen. Hij had vooral aanstoot genomen van het schilderij Holy Virgin Mary van Chris Ofili, een gracieuze zwarte madonna versierd met olifantenmest en kleine pornoplaatjes van billen en vagina's. Waarom zou er belastinggeld besteed moeten worden aan de vertoning van kunstwerken die diep beledigend zijn voor een geloof, in dit geval het katholieke? Volgens Giuliani is de hele tentoonstelling, met werk van Damien Hirst, Marc Quinn en zo'n veertig anderen (alles afkomstig uit de collectie van reclame-magnaat Charles Saatchi) ,,ziek'' en ,,meer iets voor een psychiatrische afdeling''.

Godslastering

Het museum bleek ongevoelig voor de dreigementen van de burgemeester en de tentoonstelling ging zaterdag gewoon open. Maar Giuliani was er met zijn interventie in geslaagd om zich op te werpen als de grote beschermheer van katholieken en belastingbetalers tegen de gesubsidieerde godslastering van de culturele elite.

En dat kan geen kwaad voor een politicus die campagne voert om senator te worden voor de staat New York, waar veertig procent van de kiezers katholiek is. De rechter moet nog beslissen of Giuliani zijn dreigementen ook kan uitvoeren. Maar de hele controverse heeft al laten zien dat burgemeester Giuliani goed aanvoelt dat kunst in Amerika nog altijd genoeg gewicht heeft om een machtig wapen te zijn in de politieke strijd.

Het Brooklyn Museum is ondertussen niet louter een beklagenswaardig slachtoffer. Het museum is begrijpelijk verbolgen dat zijn artistieke onafhankelijkheid zo bruusk aan banden gelegd dreigt te worden, ja dat zijn hele voortbestaan op het spel staat doordat één politicus gekwetst is door één tentoonstelling. Maar het museum heeft wel de aandacht en de ophef gekregen waar het naar verlangde en hengelde.

Jarenlang stond het Brooklyn Museum in de schaduw van de grote Newyorkse cultuurtempels als het Metropolitan Museum of Art en het Museum of Modern Art (MoMA), en het wilde eindelijk ook wel eens meetellen voor de artistieke incrowd op Manhattan. Twee jaar geleden trok het museum een nieuwe, ambitieuze directeur aan die wat leven in de brouwerij moest brengen en de bezoekersaantallen moest opkrikken. En zie, het hele land heeft het nu over het museum in Brooklyn en zaterdag stond er, behalve een groepje boze katholieke demonstranten die kotszakjes uitdeelden, ook een recordaantal nieuwsgierige bezoekers voor de deur.

Wie een tentoonstelling met de naam `Sensation' in huis haalt moet niet gek opkijken als de gemoederen hoog oplaaien. Dat was met dezelfde tentoonstelling ook in Engeland al gebeurd (zij het vanwege een ander kunstwerk, een portret van kindermoordenares Myra Hindley door kunstenaar Marcus Harvey). En de ironische waarschuwing van het Brooklyn Museum, in folders en advertenties, dat de expositie kan leiden tot ,,shock, overgeven, verwarring, paniek, euforie en angst'', zinspeelde er bijvoorbaat al op dat de kunst voor sommige mensen aanstootgevend zou zijn.

Nu is het in Amerika, een land met zeldzaam veel lange tenen, niet moeilijk om aanstoot te geven. De museumwereld weet daar alles van. Het Corcoran Museum in Washington kwam in 1989 hevig onder vuur te liggen van Republikeinse senatoren toen het een terugblik op het oeuvre van Robert Mapplethorpe wilde tentoonstellen, waaronder enkele sado-masochistische en homo-erotische foto's. Geschrokken van het politieke tumult blies het museum de tentoonstelling haastig af. Het Air and Space Museum, eveneens in Washington, durfde na felle protesten van veteranen een kritische tentoonstelling over de atoomaanval op Japan in 1945 alleen nog maar in een sterk afgezwakte vorm aan. En het scheelde een haar of het Congres had besloten tot de complete opheffing van de National Endowment for the Arts (NEA), de overheidsdienst die de kunstsubsidies verdeelt, vanwege de financiële steun van die organisatie aan de Mapplethorpe-expositie en aan de kunstenaar Andres Serrano, die hier vooral berucht is om zijn omstreden Piss Christ, een foto van een crucifix besprenkeld met Serrano's eigen urine.

David Mamet

Al deze veldslagen in wat wel de culture wars worden genoemd, hebben cultureel Amerika beducht gemaakt voor de politiek en voor een wel heel makkelijk te kwetsen publiek. Zo vond zelfs een klein theater in het alternatieve circuit in Washington, waar de afgelopen maand het toneelstuk Edmund van David Mamet te zien was, het nodig om kopers van een kaartje met een groot bord boven de kassa te waarschuwen dat er ,,violence, nudity, adult language and'' – toppunt van aanstootgevendheid! – ,,cigarette smoking'' in het stuk voorkomt.

Veel gesubsideerde instellingen lopen op kousenvoeten, om de goodwill die ze hebben niet te verspelen. Ze tonen zich gevoelig voor de smaak van het grote publiek, want ze mochten eens voor elitair worden versleten. Zo kijkt niemand meer op van een Star Wars-tentoonstelling in het Air and Space Museum, motorfietsen in het Guggenheim, auto-ontwerpen en foto's van beroemdheden in het MoMA, jurken van Versace in het Metropolitan en André Rieu als muzikaal zwaartepunt op de publieke televisie.

Dat alles betekent niet dat serieuze of omstreden kunst niet meer aan bod komt, hoogstens dat men er doorgaans niet te veel mee te koop loopt. De kort geleden nog zo fel omstreden Piss Christ van Serrano bijvoorbeeld figureert op het onlangs geopende grote overzicht van de belangrijkste Amerikaanse kunst van de tweede helft van deze eeuw (`The American Century, Part II') in het Newyorkse Whitney Museum of American Art. Geen haan die er naar kraait, zelfs Giuliani niet. Eenmaal bijgezet in de eregalerij van Grote Kunst verliest het werk kennelijk iets van zijn kwetsende karakter, zoals in de loop der eeuwen zoveel kunst die ooit schokkend was later respectabel of zelfs klassiek is geworden.

Maar of het provocerende werk van de jonge Britten uit de Saatchi-collectie een toekomst heeft als de stampij van het moment eenmaal vervlogen is, blijft de vraag. Het is kunst die gemaakt lijkt voor de sensatie, voor een instant oordeel: positief of negatief, leuk of schandelijk, afgezaagd of schokkend. Het is kunst die perfect aansluit bij de koortsachtige Amerikaanse media-cultuur, waarin iets vandaag alle aandacht opeist, terwijl het morgen alweer vergeten zal zijn.En bovenal is het kunst die het voor een belangrijk deel moet hebben van het botte weerwerk van politici als Giuliani, die net zozeer op publiciteit zijn gebrand als de kunstenaars die ze veroordelen.

Voor Philippe de Montebello, de directeur van het Metropolitan, is er geen twijfel mogelijk. ,,Ik heb de tentoonstelling gezien'', schreef hij dinsdag op de opiniepagina van de The New York Times over `Sensation'. ,,En de keizer had geen kleren. Ik heb niets aan te merken op het esthetische oordeel van Giuliani, mijn bezwaren gelden zijn censuur.''

De Montebello, wiens museum ook miljoenen subsidie van de gemeente New York ontvangt, doet geen enkele moeite om te verbergen dat hij zich met grote tegenzin achter het bedreigde Broolyn Museum heeft geschaard. Hij voelt zich verplicht om op te komen voor de artistieke onafhankelijkheid van musea, en daarom heeft hij een protestbrief van 33 kunstinstellingen aan de burgemeester ondertekend. Maar hij ergert zich tegelijk aan alle mensen die ,,zo bang zijn om door te gaan voor Filistijnen, dat ze hun afkeer niet durven uitspreken over kunst die ze walgelijk of on-esthetisch vinden, of allebei''.

Voor de meeste critici van Giuliani doet het nauwelijks ter zake of de kunst op de tentoonstelling goed, slecht of zelfs kwetsend is. Ze vrezen dat een burgemeester die naar believen subsidies kan intrekken als een bepaalde visie hem niet bevalt ,,een nieuwe IJstijd in het culturele leven van New York'' inluidt, zoals The New York Times in een hoofdartikel schreef. Een museum heeft niet alleen de taak het publiek tegemoet te komen, maar ook om het uit te dagen.

Medestanders van Giuliani vragen zich af of de kampioenen van de vrije meningsuiting en artistieke onafhankelijkheid zich net zo prinicipieel hadden opgesteld als het niet de Heilige Maria was geweest die het doek met olifantenpoep en porno moest delen, maar bijvoorbeeld Rosa Parks, het geliefde boegbeeld van de strijd voor zwarte burgerrechten. Het antwoord daarop is niet eenvoudig te geven in het makkelijk te kwetsen Amerika.

Het verhitte nationale debat dat `Sensation' in Amerika heeft losgemaakt – van de voorhoede van de kunstwereld tot aan de ingezonden brieven–rubriek van de aartsconservatieve Wall Street Journal – is een illustratie van het succes van de tentoonstelling, die immers voor alles uit was op sensatie. Het is een succès de scandale, opgestookt door de polariserende instincten van de politiek.Het huidige debat zal waarschijnlijk maar weinig sceptici bekeren tot de nieuwe esthetica van de Saatchi-collectie. Christo nodigde de norse boeren in Californië uit om hun ogen te openen voor de poëtische kwaliteit van zijn landschapsgordijn. Het kostte tijd en overredingskracht, maar uiteindelijk zagen ze het.

Giuliani, het Brooklyn Museum, Ofili en zijn collega's van `Sensation' nodigen iedereen uit om zijn mond te openen over principes als vrijheid, respect voor andermans gevoelens en de rol van de overheid. Achter al die grote woorden wordt het steeds moeilijker om de kunst nog te zien waar het allemaal om begonnen was.

Burgemeester Giuliani geniet van zijn rol als boeman van de kunst

Wie subsidie krijgt doet alles om maar niet elitair te lijken