Irak pionier in betonnen projectielen

De `beton-bommen' die Amerikaanse gevechtsvliegtuigen op Iraakse doelen afwerpen zijn niet anders dan `gewone' lasergeleide projectielen waarvan de hoog-explosieve lading door beton is vervangen. Door het gebruik van inert materiaal blijft de scherfwerking achterwege, die onbedoelde burgerslachtoffers kan maken.

De projectielen wegen twee- tot drieduizend kilo, iets zwaarder dan het conventionele type. Ze vinden hun weg naar het doel met behulp van een sensor in de neus die een weerkaatste laserbundel in het vizier houdt en beweegbare stuurvinnetjes. Dat deze bommen worden ingezet, is tekenend voor de nauwkeurigheid waarmee doelen kunnen worden getroffen. Indien bijvoorbeeld een stuk luchtdoelartillerie op één meter wordt gemist, is er geen schade. Toch betekent de inzet ervan op het gebied van wapenontwikkeling een curieuze stap terug. `Slimme' bommen zijn de laatste jaren almaar preciezer geworden en bevatten daarnaast steeds vaker `submunitie', kleine ladingen die over een groot gebied uitgestrooid, gebouwen of voertuigen kunnen vernielen.

Het ironische aan het Amerikaanse gebruik van zware, goed gemikte `keien' is dat Irak op dit gebied pionier is geweest. Begin 1991, op het hoogtepunt van de Golfoorlog, vuurde Irak namelijk een Scud-raket op Israel af die was voorzien van een betonnen lading. De raket, voor de gelegenheid in de Iraakse pers Al Hijarra gedoopt, wat `kei' betekent, kwam ver van de bewoonde wereld in de Negev-woestijn neer. Dat Irak een `steen' naar Israel wierp, was een directe verwijzing naar de keien waarmee Palestijnse jongeren tijdens de intifadah, de Palestijnse volksopstand, het Israelische leger bestookten.