Heimwee naar donkere dagen

De schrijver zat zelf het liefst met een pijpje op de bank, maar zijn lezers stroomden met een half miljoen tegelijk het ouderlijk huis uit, op naar Woodstock. `In de ban van de ring' werd de handbijbel van de hippie-generatie, een wereldhit, en het begin van een nieuw genre, `fantasy', met uitlopers van Boudewijn de Groot tot Star Wars. Nu is er een `Millennium-editie' van het populairste adolescenten-boek aller tijden.

Wat de `boodschap' betreft: die had het boek niet. Althans, het was niet de bedoeling van de schrijver er een `innerlijke boodschap' in te leggen, zo openbaarde John Ronald Reuel Tolkien (1892-1973) bij een nieuwe (pocket)editie van zijn cyclus The Lord of the Rings in 1966. Het zevendelige werk is een pseudo-mythologisch epos met de narratieve structuur van de Canterbury Tales, de thematiek van de Arthur-legenden en de tragiek van een Grieks drama. Maar ook met de literaire pretentie om de `echte' IJslandse Edda en Finse Kalevala naar de kroon te steken. Tolkiens epos was gesitueerd in `Midden Aarde' (lees: Midden-Engeland), ongeveer 7.000 jaar geleden, in de `Derde Era van de Wereld', toen de Mensen nog niet almachtig waren en vredig samenleefden met Dwergen en Elfen.

Tolkiens boodschap – dat hij geen boodschap had – mocht niet baten. De aspirant-hippies, bloemenkinderen, Vietnam-dienstweigeraars, provo's, universiteits-bezetters en andere maatschappelijke tegenvoeters die al druk doende waren The Lord of the Rings te verheffen tot hun bijbel, lieten zich door geen enkele autoriteit nog de les lezen. Dus ook niet door een professor in de vergelijkende filologie uit Oxford. Een conservatieve, wereldvreemde Engelsman die, net als de helden uit zijn boeken, het liefst thuis bij het haardvuur zat. Met de Canterbury Tales op schoot, een potje thee binnen handbereik en een pijpje tussen de kaken geklemd. En dat pijpje dan niet gevuld met geestverruimende hasj, of erger, maar met het uiterst onschuldige `pijpekruid', een variëteit van Nicotiana, zoals Tolkien zijn lezers al in 1954 gemeld had in de Proloog bij de eerste druk van zijn Rings.

De tegenvoeters van de jaren zestig lazen daar over heen. Ze vleiden zich samen met hun lief uit op de Chinese mat, rolden een joint, zetten een potje thee, legden een psychedelisch plaatje op de draaitafel en lazen verder waar ze vorige keer gebleven waren. Driehonderd pagina's hadden ze al verslonden, duizend waren er nog te gaan. Boeiend geschreven, al raakte de plot vaak zoek op de omwegen die bewandeld worden. Veel actie, maar ook aandacht voor flora en fauna. Effectief gebruik van cliffhangers. Weinig psychologische doortekening, vooral bij de bijfiguren. Erotische uitstraling: nul. Uiterste houdbaarheidsdatum: 2000+. Geschikt voor alle leeftijden.

Frodo Balings, held tegen wil en dank van Tolkiens epos, had al heel wat gevaren doorstaan sinds hij in het eerste deel zijn knusse onderkomen in de Gouw had verlaten. Maar gelukkig stond hij er niet langer alleen voor. Acht kleine, dappere lotgenoten trokken met hem mee. Zijn trouwe dienaar Sam Gewissies natuurlijk, de Sancho Panza van Midden Aarde. Pepijn en Merijn, eenvoudige, eerlijke en vriendelijke Hobbits als Frodo zelf. Gandalf de tovenaar. Legolas de Elf. Gimli de Dwerg. Boromir, een Mens.

De reis ging naar het verre en gevaarlijke Mordor, naar de Doemberg. Daar moest Frodo de Ring der Ringen, die het Kwaad in de wereld had gebracht, in het vuur teruggooien. Een omgekeerde Graal-queeste, waarvan de afloop zeer onzeker was. Want buiten de Gouw heersten overal kwade krachten, zo had hij gehoord van zijn oom Bilbo, die zestig jaar eerder de Ring hun land had binnengebracht. Die had hem beschermd op zijn expeditie naar de Eenzame Berg, waar Smaug, de vliegende draak, een schrikbewind uitoefende.

De Ring maakte wie hem droeg onzichtbaar. Maar óók ijdel en machtswellustig, wist neef Frodo nu – dankzij Gandalf. Weg ermee, ook al liggen Orksen en Trollen overal op de loer. En ook al weet ik, Frodo Balings, dat Sauron, de Zwarte Heerser van Mordor, zelf de Ring in handen wil krijgen. Ik, Frodo Balings, trek ten strijde tegen het kwaad. Ik moet. Ik kan niet anders. Het is mijn plicht. Ook al lijk ik zwakker. En ook al zit ik liever gezellig thuis, met mijn potje thee en mijn pijpje.

Frodo Balings komt inderdaad als overwinnaar tevoorschijn uit de strijd tussen het Goede en het Kwade. De Ring wordt verzwolgen door het vuur van de Doemberg. De zachte krachten hebben overwonnen. Zij het met grote offers: Frodo is te lang met het kwaad omgegaan om er niet door besmet te raken. Hij is veroordeeld tot eeuwige ballingschap, ergens in het Westen – een verwijzing naar Amerika? Maar de boodschap van The Lord of the Rings is duidelijk, ook al was die er volgens de auteur niet: Verroer je! Blijf niet zitten waar je zit! De wereld verkeert in gevaar. Hebzucht dreigt de overhand te krijgen. Dingen worden verheven boven deugden. Macht wil zich uitbreiden. Eenvoudig geluk wordt straks niet langer getolereerd.

Het was een boodschap die perfect paste bij de ontwakende tijdgeest van de jaren zestig. Een hele generatie babyboomers stond op het punt volwassen te worden, althans hun biologische jeugdjaren achter zich te laten. Ze vlogen uit. Weg uit het moderne suburbia dat asfalt en beton liet uitvloeien over weerloze weilanden en bossen. Weg uit het ouderlijk huis, waar het trauma van crisis en oorlog er nog zó inzat, dat een nieuwtje als de kleuren-tv werd bejubeld als het hoogtepunt van menselijk geluk. Terwijl diezelfde beeldbuis dag in dag uit, als een sinistere soap, de meedogenloze, uitzichtloze oorlog in het verre Vietnam de huiskamer instraalde.

On the road, Jack Kerouacs flitsende parabel van de snelweg, had in 1957 al de weg gewezen: verder! verder! Dat was het Nieuwe Testament van de jaren zestig. The Lord of the Rings werd het Oude Testament, het hippie-handboek par excellence. Van de pocket-editie, die midden jaren zestig op de markt kwam, gingen binnen een jaar honderdduizend exemplaren over de toonbank. Terwijl het daarvoor, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, tien jaar kwakkelen was geweest met het boek. `Frodo Lives!' schreven onzichtbare handen op de muren van Amerikaanse universiteits-gebouwen. `Gandalf for President!'

Drie miljoen exemplaren waren er in 1968 wereldwijd van alle delen samen verkocht. Acht miljoen in 1980. Vijftig miljoen in 1997. In 1999 kwam het boek voor de zoveelste keer als winnaar uit de bus bij polls van twee Engelse boekenclubs. Op de drempel van de 21ste eeuw verschijnt er nu een zesdelige `Millennium Edition', met als zevende deel een naslagwerk met genealogieën, chronologieën, stambomen, registers en gewichtige verhandelingen, die het boek een nóg authentieker tintje moeten geven. En als toegift een CD waarop auteur J.R.R. Tolkien voorleest uit eigen werk. Bij het haardvuur.

De spin off van dit succesverhaal was zo mogelijk nog omvangrijker. Tijdens zijn leven kon Tolkien meemaken hoe de eenvoudige, rurale levensstijl van zijn Hobbits navolging kreeg bij de naar authenticiteit en natuurlijkheid hongerende leden van de liefdesgeneratie. De kinderen van de wederopbouw verlangden heftig naar de tijd die Tolkien, geboren in de negentiende eeuw, nog nét ten onder had zien gaan: die gouden tijd, toen de mens nog één was met de natuur' en nog wist hoe hij zelf een brood moest bakken. Het was het begin van een ecologische golf waarop in het Westen 35 jaar later de eerste groene ministers naar het rode pluche surften.

Nederland, het vaderland van de Witte Wieven, van Ollie B. Bommel, Piggelmee, Flipje uit Tiel, Paulus de Boskabouter, Puk en Muk en prinses Irene kon in deze ontwikkeling natuurlijk niet achterblijven. In 1957 verscheen al een integrale vertaling van Tolkiens levenswerk: In de ban van de ring. Vertaler Max Schuchart oogstte er de Nijhoffprijs mee. Voor de presentatie kwam Tolkien persoonlijk vanuit Oxford naar Rotterdam, waar hij zijn liefhebbers, onder andere Hella Haase, op zijn Hobbits toesprak: `Beste luitjes!'. Simon Vinkenoog, Nederlands tegenvoeter bij uitstek, schitterde door afwezigheid. `Ik heb al genoeg aan de werkelijkheid', liet hij verrassend nuchter weten. `Het blijft toch altijd een vlucht, die fiction-boeken.'

Na 1957 kwamen vertalingen van The Lord of the Rings in zestien andere talen los, onder andere in het Japans, Hebreeuws, Hongaars en IJslands. De Nederlandse pocketeditie van 1966 haalde al snel oplagen van tienduizenden exemplaren. De vertaling van een eerder boek van Tolkien, The Hobbit (1937), werd in het succes meegezogen. Anno 1999 zijn beide boeken samen in Nederland goed voor twee miljoen verkochte exemplaren.

Hun grootste triomf beleefden Frodo, Sam, Gandalf en de andere helden uit Midden Aarde in het `magisch centrum' Amsterdam. Vijf van hun soortgenoten marcheerden in 1970 als vers gekozen `ambassadeurs' van Amsterdam Kabouterstad de gemeenteraad binnen. Onder aanvoering van opperkabouter Roel van Duijn, die daarvóór in zijn eentje Provo vertegenwoordigd had. De triomf bleek van korte duur. Verschillen van mening, en ook ijdelheid, bleken de wereld nog niet uit, ook al was de Ring in de voortijd van de mensheid door het vuur teruggenomen. De vijf kabouters in de gemeenteraad besteedden al snel méér energie aan onderlinge strijd dan aan het omturnen van de boze buitenwereld.

Ook artistiek zorgde de zegetocht van de Ring voor de nodige naschokken. Alice kwam terug uit Wonderland, kroop terug door de spiegel en zat weer op de schoorsteenmantel. Talloze klonen van Tolkien zagen het licht, de één nog dikker en pretentieuzer dan de andere. Een compleet nieuw genre bloeide op: Fantasy, in de jaren negentig volop te bewonderen in strips, tekenfilms en, na de pc-revolutie, computerspelletjes. Ook in de popmuziek begon het te spoken. The Beatles maakten een Magical Mystery Tour. Bob Dylan verdwaalde op Desolation Row, waar `Cinderella' als twee druppels water leek op Bette Davis en Einstein zich `vermomde als Robin Hood'. Boudewijn de Groot trok met een lange stoet volgelingen de bergen in van het land van Maas en Waal. Hijzelf gearmd met een kater voorop, daarachter `twee konijnen met een trechter op hun kop, en dan de grote snoeshaan, die legt een glazen ei, wanneer je 't schudt dan sneeuwt het op de Egmondse abdij.' Er was, zo verklaarde tekstschrijver Lennaert Nijgh achteraf, `af en toe een stevig pijpje gerookt'.

Tolkien stond er op z'n oude dag bij en keek ernaar – zuchtend. Zó frivool had hij het allemaal niet bedoeld. Dáárvoor had hij zijn enorme kennis van het Oud Germaans en Angelsaksisch niet gepopulariseerd. Alle namen van mensen, dwergen en elfen, steden, bergen en rivieren in zijn boeken waren geïnspireerd op authentieke bronnen. De oermythe uit Midden Aarde had zo een hoog realiteitsgehalte gekregen. Daar mocht niet iedereen zomaar zijn eigen interpretatie op loslaten. En al die blote borsten die in al die vrolijke variaties op Frodo's queeste te zien waren... In de Gouw kenden vrouwen tenminste nog hun plaats: naast hun man, of achter het aanrecht.

Het is bij herlezing een politiek incorrecte lading van The Lord of the Rings die in de jaren zeventig onstnapte aan de aandacht van de feministische politie. Maar die in de huidige post-moralistische tijden weinig lezers en/of lezeressen meer afschrikt – getuige de verkoopcijfers. Moet kunnen! Net als het vele bloed dat in De Ring vloeit, vooral in de apocalyptische slotscène. Het ontlokte de recensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dichter A. Marja, veertig jaar geleden de opmerking dat Tolkien zich `vermeidt in de bloederigheid der oorlogen die hij beschrijft'.

Misschien had al dat zinloze geweld iets te maken met de Eerste Wereldoorlog, waarin Tolkien gewond was geraakt aan de Somme – zo gaf hij ooit schoorvoetend toe. Maar met de Tweede Wereldoorlog, waarin zijn broer aan het front stond terwijl hijzelf voortschreef aan zijn magnum opus, beslist níet. Voor The Lord of the Rings putte hij uitsluitend uit het verre, verre verleden. Dat de actuele werkelijkheid daarmee parallel liep, kon hij niet helpen. Het verklaart wellicht – in Tolkiens ogen – de vele stereotiepen die er op zijn slagvelden rondlopen. Zuiderlingen die kromzwaarden trekken. Oosterlingen die met bijlen om zich heen hakken. Zwarte mannen uit het Verre Harad met witte ogen en rode tongen. Geen wonder dat de hardrock-band Led Zeppelin in 1971 door Tolkien werd geïnspireerd tot een `runen-album'.

De opvolgers van de Woodstock-generatie, de New Age-liefhebbers van de jaren negentig, hadden weinig moeite met Tolkiens wapengekletter. Frodo Balings werd ook hún held. Ook zij werden aangeraakt door de sterk romantische ondertonen van The Lord of the Rings, die verhaalden van een verloren paradijs. Maar meer dan de babyboomers waren zij óók gevoelig voor Tolkiens religieuze boventonen. De strijd tussen het Goede en het Kwade, in de jaren zestig gelokaliseerd op een ver slagveld in Zuid-Oost Azië, woedde in de jaren negentig vooral in het Westen: in de mens zelf. Van inspiratiebron werd Tolkien tot heelmeester. Een goeroe die de tot `elementaire deeltjes' versplinterde postmoderne ziel – verlaten door God, Marx en Baghwan – met holistische orakeltaal tot een nieuwe eenheid smeedde. `Wees niet al te droevig Sam', troost Frodo zijn trouwe kameraad aan het eind van het verhaal, kort voor hij per schip afreist naar het Westen, in de diaspora. `Je kunt niet altijd verdeeld zijn. Je zult één en heel moeten zijn, nog vele jaren. Je hebt zoveel te genieten, en te zijn en te doen.'

Het is een interpretatie waar Tolkien ongetwijfeld meer vrede mee zou hebben dan met de diverse pogingen om zijn epos te visualiseren. Tijdens zijn leven moest hij dáár in ieder geval niets van hebben: het zou zijn boeken alleen maar vervlakken, vond hij. Vooral aan Walt Disney had hij `een grondige hekel'. Kort na zijn dood gaven zijn erfgenamen echter alsnog toestemming, zij het niet aan Disney. Een scenario van Stanley Kubrick werd afgewezen, maar in 1978 leverde Ralph Bakshi een aardige animatiefilm af, met een glansrol voor Sam Gewissies. Een tweede poging tot verfilming zal in het volgende millennium te bewonderen zijn. Disney vist opnieuw achter het net omdat het de plannen van de Nieuw-Zeelandse regisseur Peter Jackson te megalomaan vond. Producer Saul Zaentz, van `The English Patient', wist wél de 130 miljoen dollar bij elkaar te brengen om Jacksons vijf uur durende drieluik te financieren. Over enkele jaren te zien in de bioscoop.

Voor wie niet zo lang kan wachten – en dus geen goede Hobbit is – is er sinds kort de video-versie van de Star Wars-trilogie van Tolkien aficionado George Lucas. (Met nieuwe effecten! Al 500.000 exemplaren verkocht!) Ook Lucas' bonte reisgezelschap is via Tolkien gemodelleerd naar de pelgrims van de Canterbury Tales. En ook bij hem bestaat de kern daarvan uit een onafscheidelijk koppel: de sprekende robot C-3PO en de waggelende computer R2-D2. In het handig sampelen van oeroude thema's, motieven en stereotiepen toont Lucas zich eveneens schatplichtig aan Tolkien. Zo lijkt kaptein Han Solo van het reddende ruimteschip, gespeeld door Harrison Ford, een klassieke premiejager uit het Wilde Westen. Maar doorgewinterde Tolkinisten zien in hem in de eerste plaats een verre nazaat van de kolonie die Frodo Balings na zijn verbanning uit Midden Aarde stichtte aan de andere kant van de oceaan.

Voor de opvolger van Star Wars, `The Phantom Menace' (sinds kort in vele theaters), valt de schatplichtigheid aan Tolkien minder makkelijk na te wijzen. Little Buddha, Ben Hur, Metropolis en Kung Fu hebben betere papieren. Het conflict dat een heel zonnestelsel dreigt op te blazen, draait niet om goed of kwaad, maar om een ordinaire centenkwestie, namelijk verhoogde galactische invoertarieven. En in de oeroude kashba's die regisseur Lucas als idyllisch contrapunt neerzet, worden in de schaduw van een theehuis motoronderdelen voor ruimte-schepen verhandeld.

Tolkien zou het niet bedacht kunnen hebben: in zijn mooie, autarkische wereld zijn lelijke, technische dingen taboe. BFrodo zou er onmiddellijk de afdeling grof vuil van de reinigingsdienst op af hebben gestuurd.

J.R.R. Tolkien: The Lord of the Rings. Millennium Edition. Harper Collins, zeven delen (geb.) in cassette, 1543 blz. ƒ149,95 (incl. CD)