Geduld met de scheldende Ieren

Toen de voormalige Amerikaanse senator George Mitchell in februari 1995 voor het eerst in Belfast landde, wist hij niets van Noord-Ierland. Toen hij er ruim drie jaar later voor de voorlopig laatste keer vertrok, wist hij meer dan genoeg. Met instemming citeert Mitchell een van de deelnemers aan de vredesgesprekken die hij leidde: ``Om ons te begrijpen,' zegt deze, ``moet u weten dat wij in Noord-Ierland honderdzestig kilometer omrijden om een belediging in ontvangst te nemen.' Uitdelen kunnen ze ook, werd Mitchell spoedig duidelijk. Protestanten en katholieken doen daarin niet voor elkaar onder. De honderden vergaderingen die hij met engelengeduld leidde, begonnen over het algemeen met een uur of twee vrijblijvend schelden. Vrijwel elke ochtend meende een van de deelnemers aan de vredesgesprekken zijn hart grondig te moeten luchten, omdat hij zich misdeeld waande, onrechtvaardig behandeld voelde of verraden wist. Het gevloek en getier was niet zelden gericht tegen een geachte afgevaardigde die juist die vergadering boycotte, omdat hij de dag daarvoor dodelijk was beledigd of in zijn hemd gezet.

` Men heeft mij verteld,' schrijft Mitchell op de eerste bladzijde van Making Peace, `dat ik goed kan luisteren. Dat is me in Noord-Ierland goed van pas gekomen.' De bevolking heeft volgens hem in de loop van een zich al eeuwen voortslepend conflict een fijnbesnaard instrumentarium ontwikkeld waarmee vermeende beledigingen worden opgevangen. Die worden verwerkt en omgezet in een klacht, die weer wordt doorgespeeld naar een bevriende politicus of journalist. Een ritueel waar Mitchell, een doorgewinterd onderhandelaar, zich overigens snel bij aanpaste. Diplomatie in Noord-Ierland, zo blijkt uit zijn herinneringen aan een ruim driejarig verblijf als handels- en vredesmissionaris in `de provincie', vereist een combinatie van zorgvuldig gekweekte hardhorendheid, een laconieke levensinstelling en een onuitputtelijk uithoudingsvermogen. Pas wanneer de deelnemers aan de gesprekken waren uitgeraasd vielen er zaken te doen.

Waar Richard Holbrooke op de Balkan succes oogstte met zijn confronterende stijl, daar scoorde Mitchell in Noord-Ierland door zichzelf weg te cijferen. Van de Britse regering mocht hij zich geen gezant noemen; het zou betekenen dat Londen een buitenlander officieel het recht gaf zich met interne gelegenheden van het Verenigd Koninkrijk te bemoeien. De protestantse afgevaardigden weigerden hem tijdens de vergaderingen aan te spreken als voorzitter; dat zou immers betekenen dat ze Mitchells autoriteit erkenden. Dat deden ze juist niet, hoewel ze iedere ochtend keurig op kwamen dagen en hem de agenda lieten bepalen. `Ik had er geen bezwaar tegen,' schrijft Mitchell met een on-Amerikaans gevoel voor entertainment, om ook in Noord-Ierland `als senator door het leven te gaan.'

Dat de onderhandelingen vorig jaar resulteerden in het zogeheten Goede Vrijdagakkoord is voor een groot deel de verdienste van Mitchell. Niet dat hij in Meaking Peace pronkt met zijn succes; hij geeft juist alle eer aan de Britse en Ierse premiers Tony Blair en Bertie Ahern, en aan de Noord-Ieren Gerry Adams en David Trimble. Adams en Trimble bleken bereid hun macht en prestige op het spel te zetten, waarbij niet zeker was of hun katholieke en protestantse achterban hen zou volgen. Mitchell heeft honderden uren naar hen geluisterd, hun grieven weggemasseerd, hun woedeaanvallen genegeerd. Zelden laat hij doorschemeren dat hij trots is op de rol die hij heeft gespeeld in het bereiken van de doorbraak. `Het is,' schrijft hij, `een understatement te zeggen dat de politiek in Noord-Ierland niet uitblinkt in het sluiten van compromissen.' Dat de deelnemers van de acht partijen daartoe uiteindelijk in staat waren, dat ze na hun retorisch kruit te hebben verschoten bereid waren naar hen te luisteren, bewijst zijn enorme wilskracht en doorzettingsvermogen. `Het feit dat we al weken aan het discussiëren waren over het reglement van de vergadering was een expliciete erkenning van het feit dat we zonder regels opereerden, schrijft hij na de zoveelste dag die met zinloos vergaderen over procedures werd verdaan.

Het niveau van de scheldpartijen was vaak hoog, en wellicht hield hij het daarom zo lang uit in Belfast. Los daarvan: uit Making Peace blijkt dat zijn belangstelling voor de aard van het conflict en het karakter van de politici niet is geveinsd. De beknopte schetsen van Gerry Adams en Ian Paisley zijn fraai en smaken naar meer. De invloed van de Britse regeringswisseling op de Noord-Ierse kwestie doet hij meesterlijk uit de doeken.

En toch: nog niet is het Goede Vrijdagakkoord getekend of de betovering is verbroken. Met een zucht van verlichting stapt hij het vliegtuig in, terug naar Maine en Amerika, `de rechtvaardigste samenleving uit de geschiedenis.' Het is daarom niet vreemd dat hij `met de grootst mogelijke tegenzin' naar Noord-Ierland is teruggekeerd. De impasse waarin het vredesproces verzeild is geraakt vervult hem met weerzin. Hij heeft al laten weten er deze keer `geen gebed zonder einde' van te willen maken. Zijn geduld met de Noord-Ieren is bijna op.

George Mitchell: Making Peace. Knopf, 191 blz. ƒ61,20