Eén, twee, vele nationalismes

Een paar jaar geleden maakte Thijs Wöltgens, eens voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en nu burgemeester van Kerkrade, de mensen aan het schrikken met de volgende suggestie: Nederland zou meer invloed in Europa hebben als het een deelstaat van Duitsland zou worden dan het nu heeft als onafhankelijke staat.

Immers, zo was zijn redenering, de Duitse regering moet meer rekening houden met de wensen van deelstaten als Noordrijn-Westfalen en Beieren dan met die van Nederland. Als Nederland deelstaat zou worden, zou zijn invloed op het beleid van de Bondsrepubliek op z'n minst even groot, zo niet groter, zijn als die van die twee Länder, en aangezien de Bondsrepubliek Europa's grootste mogendheid is, zou Nederlands indirecte invloed op Europa dan groter zijn dan zijn directe invloed nu.

De reacties op deze half-speelse gedachte waren unaniem afwijzend. Volgens de historicus prof. J.Th. Leerssen maakten zij één ding duidelijk: ,,Veel Nederlanders hechtten eerder uit gevoelsmatige dan uit pragmatische overwegingen aan de vaderlandse soevereiniteit''. Voor hen was de staat er in de eerste plaats voor ,,om iets te belichamen dat men gevoeglijk de gezamenlijke identiteit, traditie of `nationaliteit' zou kunnen noemen''.

Prof. Leerssen, die wetenschappelijk directeur van het interuniversitaire Huizinga-instituut voor cultuurgeschiedenis in Amsterdam is, komt tot die conclusie in een bespreking in het laatste nummer van het kwartaalschrift Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden.

Je zou Leerssens conclusie ook anders kunnen formuleren: geconfronteerd met de mogelijkheid van verlies van nationale zelfstandigheid, reageren veel Nederlanders afwijzend. Ongetwijfeld bevonden zich onder degenen die afwijzend reageerden op Wöltgens' gedachte, overtuigde `Europeanen', maar die `Europeanen' verkiezen dan nationale zelfstandigheid boven de mogelijkheid grotere, zij het indirecte, invloed op de Europese Unie uit te oefenen.

Natuurlijk: het is vooral de gedachte deel uit te maken van een andere natie, en dan nog wel juist de Duitse, die afstotend werkt, maar dat versterkt slechts de conclusie dat het nationalisme in Nederland springlevend is – in zijn typisch Nederlandse vorm welteverstaan, want dat nationalisme kan, bij dezelfde persoon, samengaan met een `Europese' gezindheid. Het Nederlandse nationalisme is zijn internationalisme, zei de historicus Boogman al jaren geleden.

Anderen weten dat al lang. Zo vertelt de Amerikaanse historicus James Kennedy in het jaarboek The Low Countries (uitgave van de Stichting Ons Erfdeel) dat, toen hij eens voor een Amerikaanse universiteit in een lezing betoogd had dat de Nederlanders het nationalisme hadden afgezworen, er een Vlaamse vakgenoot naar hem toe was gekomen en hem had gezegd: ,,De Nederlanders zijn nog altijd buitengewoon nationalistisch: zij blijven er nog altijd even van overtuigd dat zij meer gelijk hebben dan iemand anders.''

Ook dat is een soort nationalisme, hoewel door de Nederlanders niet als zodanig ervaren. Is de overtuiging: ,,Wij zijn progressiever dan jullie'' misschien nu niet meer zo sterk als 25 jaar geleden, het gevoel gidsland te zijn bleef volgens Kennedy bestaan – totdat Srebrenica een eind maakte aan die illusie. (Is dat zo? In de jongste Memorie van Toelichting van Buitenlandse Zaken, met haar kwalificatie van eigen beleid als `idealistisch' – impliciet: hoogstaander dan dat van anderen –, merk je daar niet veel van.)

Op het gebied van zaken als homoseksualiteit, drugs en euthanasie menen, aldus Kennedy, de Nederlanders in elk geval nog steeds beter te zijn dan de anderen. Zij zijn ervan overtuigd dat, als het buitenland eenmaal werkelijk zou inzien hoe intelligent, humaan en progressief ons beleid is, het als een blad aan een boom zou omslaan. Hier is ons humanisme een soort nationalisme.

Ook prof. Leerssen bleek Vlamingen onder zijn gehoor te hebben toen hij onlangs sprak over de afwijzende reactie van veel Nederlanders op Wöltgens' idee om van Nederland een Duitse deelstaat te maken. Een van die Vlamingen merkte op ,,dat de gedachte België `af te schaffen' voor hen helemaal niet zo'n onthutsende werking had'' [...], en dat er zoiets als `België' zou moeten voortbestaan teneinde de gezamenlijke nationale of culturele identiteit te incorporeren'' allerminst vanzelfsprekend was – integendeel zelfs.

Leerssen vergelijkt dan de Nederlandse ervaring met die van andere oude, gevestigde natiestaten, zoals Frankrijk, Engeland en Spanje, waar de ,,sinds eeuwen bestaande staat een ideële meerwaarde gekregen'' heeft, terwijl België, wat dat betreft, beter te vergelijken is met jonge staten als Finland, Polen of Ierland. Die laatste vergelijking gaat niet helemaal op: jonge staten zijn immers meestal zeer nationalistisch, en een Belgisch nationalisme bestaat nauwelijks.

Hoe dat ook zij, terugkomend op de Vlaamse reactie op het idee van de afschaffing van de eigen staat – een reactie die zo anders is dan de Nederlandse – zegt Leerssen dat het duidelijk is ,,hoe fundamenteel andersoortig de Vlaamse historische en politieke ervaringswereld is geweest dan de Nederlandse'' – een anderssoortigheid ,,die zich onder de oppervlakkige gemeenschappelijkheid van de taal verbergt''. Het is ook duidelijk ,,dat men de Vlaamse situatie niet met hollandocentrische maatstaven en referentiekaders tegemoet kan treden''.

Maar niet alleen de Vlaamse situatie, geen enkele situatie kan men zo tegemoet treden. Iedere situatie heeft haar eigen historische, culturele en sociale achtergronden en kenmerken. Wij Nederlanders zijn geneigd al die situaties te meten met de maat die wij gewend zijn.

Maar zijn de Nederlanders daar alleen in? Nee. Er zijn `Eén, twee, vele nationalismes' – om de titel aan te halen van een hoofdstuk in een onlangs verschenen boek van dezelfde Leerssen (Nationaal denken in Europa: een cultuurhistorische schets). Vele nationalismes – en alle verschillend van elkaar.