Een pop is snel uitgespeeld

Ruim vijftig jaar lang wekte hij lapjes tot leven. Aanstaande woensdag gaat de laatste theatervoorstelling van Feike Boschma in première.

Feike Boschma wijst naar een rode lap met noppen die slordig over de rand van de spiegel hangt. Hij wil er iets mee doen, hij weet alleen nog niet wat. Er is een stukje Satie dat hem heel geschikt lijkt, maar dat duurt vijf minuten en dat is te lang voor het nummer dat hij ermee wil maken. ,,Poppen zijn beperkt'', zegt de man die al ruim vijftig jaar lang poppenspeler is, ,,en naarmate ze beter zijn, nemen ze minder tijd in beslag.'' Hij grijpt naar een onordelijk bosje poppen dat aan een spijker aan de zijkant van de boekenkast bungelt, en pakt er eentje uit. Dat duurt even, want de draden zijn in elkaar verwikkeld. Maar dan staat er een vrouwtje in een rode jurk op de grond. Ze kromt haar rug, steekt haar afwerende handen uit en zet schichtig een pasje achteruit. ,,En nu heb ik al bijna alles gedaan wat ze kan'', stelt hij nauwelijks een minuut later vast. ,,In een nummer kun je dat natuurlijk wel wat verlengen – je hebt er muziek bij, je hebt een verhaaltje, maar erg veel langer moet het toch niet duren. Een pop is heel snel uitgespeeld.''

Het levenloze lapje dat pas nog een vrouwtje was, hangt alweer aan de kast en Feike Boschma kijkt haar nog even na. Ze vragen wel eens, vertelt hij, of hij een lievelingspop heeft en of ze ook allemaal namen hebben. Hij lacht met een smalend brommetje dat ergens onderuit zijn keel komt. Welnee, eerlijk gezegd springt hij zelfs een beetje slordig met die poppen om. Eén ligt er zelfs in een hoek, bovenop een berg lapjes waar hij nog niets mee heeft gedaan. Kijk maar, dit is nota bene de tapdanser die in een vorige voorstelling nog zo'n lichtvoetig succesnummertje opvoerde: een afgescheurd stukje tule aan twee stokjes en een strohoedje op een derde stok. Even mag hij op de werktafel nog eens zijn kunstje vertonen, dan wordt hij weer in die donkere hoek gelegd.

De man met de markant geplooide kop en de haarslierten in zijn nek is niet als andere poppenspelers die hun poppen koesteren alsof het hun kinderen zijn. Hij is een theatermaker, die dramatische en komische effecten schept uit de beweging van poppen. Dat is iets anders; hij bewondert sommige collega's, hij kijkt graag naar de slapstick in de poppenkast, maar zelf heeft hij zijn leven lang nummers voor theatervoorstellingen gemaakt. En aanstaande woensdag is zijn laatste première.

Sneeker kermis

Waar het allemaal vandaan is gekomen, ach, dat weet Feike Boschma (78) zelf ook niet zo precies. Als jongetje uit het Friese boerendorp IJsbrechtum keek hij zijn ogen uit als de goochelaars en de kleine circusjes naar de Sneeker kermis kwamen. Door de kunstzinnige belangstelling van zijn moeder raakte hij echter ook geïnteresseerd in schilderkunst. Dat is hij trouwens nog steeds; hij zou er zelf niets van kunnen, dat geklieder met een natte kwast is niets voor hem, maar hij laat zich wel inspireren door kleuren en vormen. Hoe het ook zij, hij prutste al gauw met lapjes en poppetjes, en dat nam later, in de onderduik, serieuze vormen aan. Zo serieus, dat hij tijdens de hongerwinter al besloot poppenspeler te worden.

,,Maar direct na de bevrijding wist ik niks. Het enige idee dat ik had, en ik weet echt niet waarom, was dat ik het moest zoeken in een combinatie tussen mens en pop. Ik dacht dus: ik moet een acteur zien te vinden. Het probleem was alleen dat ik in Friesland woonde en geen acteurs kende. Wat ik toen nog niet wist, was dat ik het niet bij acteurs moest zoeken, maar bij cabaretiers – die zijn veel speelser en hebben kortere scènes. Dat bleek later pas. In het begin wist ik alleen maar dat ik een moeilijke weg had gekozen. Ik dacht: om het vol te houden, zal ik een lange adem nodig hebben. En ik hoopte ook dat ik met interessante mensen in contact zou komen, die me op ideeën zouden brengen.''

Voor het eerste contact nam Feike Boschma zelf het initiatief, nadat hij in de loop van 1946 naar Amsterdam was verhuisd. Brutaalweg schreef hij een briefje aan Wim Sonneveld, die destijds met een eigen cabaret-ensemble spitsvondige, vederlichte, poëtische programma's maakte voor een publiek van fijnproevers met francofiele inslag – zoals Boschma. Sonneveld stond open voor alles wat zijn voorstellingen uit de vette Hollandse klei kon trekken, en daarom ook voor een onbekende, beginnende poppenspeler. Die moest maar eens proberen op basis van een sprookje van Godfried Bomans een marionettennummer te maken, waarmee het gedeelte na de pauze kon worden geopend.

De twintiger uit IJsbrechtum deed vanzelfsprekend zijn uiterste best – en dus te veel. ,,Ik bewóóg en bewóóg'', zegt hij nu, ,,want ik wou natuurlijk alles laten zien wat ik met die poppen kon. Tot de pianist van het programma, Wim de Vries, op een keer tegen me zei: Feike, je moet die poppen 'ns stilhouden! Dat bedoel ik als ik het heb over mensen die je aan ideeën helpen. Wim de Vries bracht mij op het pad van de stilering. En zo zijn er telkens in mijn leven mensen geweest door wie ik weer verder kwam.''

Hij noemt voorbeelden. Allereerst de parodistische danseres Cilly Wang, voor wie hij een marionet maakte en van wie hij leerde dat je het publiek soms heel goed een glimp kunt laten zien van de machinerie achter je trucages – des te sterker kan daarna het effect van de truc zijn. Als hij aan haar denkt, denkt hij bovendien aan de bijna onstilbare cultuurhonger van de eerste naoorlogse jaren. Buiten haar werk sprak zij het liefst over de grote literatuur, over Shakespeare en de Faust van Goethe, en hij luisterde.

Ook noemt hij de befaamde mimespeler Rob van Reyn, die hem eens regisseerde en zich tot Boschma's verbazing in de eerste plaats bezighield met het licht. Theater is licht, begreep de poppenspeler, en sindsdien weet hij hoe illusies op te roepen door de belichting. Met drie spotjes, zoals vroeger, maak je tegenwoordig geen interessante theatervoorstelling meer. Verder vertelt hij van de voordrachtskunstenares Willy Brill, die hem vroeg om illustraties bij haar joodse verhalen en liedjes, en hoe hij ontdekte dat het niet interessant was zulke sterke teksten te illustreren: ,,Je moet juist iets vinden dat parallel loopt, dat een atmosfeer oproept.'' Bij een lied over een weggevaagd stadje schiep hij zodoende simpele huisjes aan draadjes, die hij ineen liet zakken. ,,Zonder haar vraag was ik nooit op dat idee gekomen'', zegt hij blij, ,,want waarom zou je anders huisjes gaan maken?''

Vijf seizoenen lang werkte Boschma mee aan de populaire jeugdvoorstellingen van het Amstel Toneel, waar hij grote bewegende dieren maakte en aldus leerde voor grote zalen te staan. ,,Toen ik mijn werk ging overdragen aan een ander, en op een keer zelf als publiek in de zaal zat, zag ik opeens dat die poppen van mij eigenlijk een verlevendiging van het decor vormden. Dat idee heb ik later nog eens toegepast door een gordijn in een pop te veranderen.''

Wederzijds

Dan valt ook de naam van de hoekige mime-parodist Rob van Houten, met wie hij in de jaren zeventig de markante, groteske Funhouse-voorstellingen speelde. Een ideale samenwerking, beaamt Feike Boschma: hij werd er directer en aardser van, terwijl Van Houten juist iets opschoof naar de poëtische kant. Zo'n vorm van wederzijdse beïnvloeding vond hij in de jaren tachtig terug, toen hij programma's maakte met `de Grieken': de regisseur Nikos Armaos en de componist Iraklis Paskalidis. Van hen stak hij naar zijn zeggen veel op over de rol van de poppenspeler: ,,Jij bent de baas, jij brengt een lapje tot leven, dat loopt uit de hand, het lapje keert zich tegen zijn schepper en dan ben jij weer degene die daar een eind aan maakt. Het is als in de verhalen van Pinocchio, Pygmalion, het monster van Frankenstein, de Golem-legende... de overgang van het leven naar de dood en weer terug. Ja, de dood komt vaak in mijn voorstellingen voor. Veel méér is er met poppen ook niet te doen.''

Eén keer transformeerde hij een zwarte lap in de dood zelf. Die sprong hem naar de keel, en even leek hij in doodsnood te raken. Maar op het laatste moment wist hij de aanvaller toch onschadelijk te maken. De poppenspeler die de dood overwint, opper ik. Boschma lacht wat verlegen. Ach nee, zo diep zat het niet. Het was gewoon een nummer. Het had niets te maken met het vorderen van de leeftijd.

En dat hij nu afscheid neemt, komt echt niet omdat hij nu oud en der dagen zat zou zijn. De laatste acht jaar zijn de voorstellingen van zijn poppentheater, in twee vierjaarlijkse termijnen, gesubsidieerd. Daardoor kon hij een regisseur en twee medewerkers aantrekken, en af en toe ook een componist aan het werk zetten. Volgend jaar gaat een volgende periode van het kunstenplan in. ,,Dan zou ik nu dus weer een nieuwe aanvraag moeten indienen, en dan is het nog maar de vraag of de subsidie ook weer wordt toegekend. En dan, op mijn leeftijd... ik weet 't niet... ik geloof niet dat je in dit vak moet doorgaan tot je erbij neervalt. Ik zal heus nog wel eens iets doen, dat houdt niet op, maar niet meer in deze vorm, niet meer met dit soort voorstellingen.''

Hij kijkt nog eens naar de rode lap die over de spiegel is gedrapeerd. Hij is er nog niet uit. Maar dat er ooit leven in zal komen, lijkt wel vast te staan.

Feike, afscheidsvoorstelling van figurentheater Feike Boschma: 12 en 13 (première) oktober in Nieuwe de la Mar Theater, Amsterdam.

Tournee t/m 9 december, inlichtingen 020 - 6233700