Een ingenieus borduurwerkje

In minstens één opzicht onderscheidde Eric Idle zich destijds van de andere Monty Python-mannen: de anderen schreven hun sketches weliswaar in wisselende combinaties maar altijd getweeën, en hij was de enige solo-auteur. De teksten die hij schreef, speelde hij ook meestal zelf. Ze zijn vaak te herkennen aan het consequente dóórredeneren, tot in het extreme toe. Wat nog min of meer normaal en herkenbaar begon, liep in zijn nummers doorgaans al snel uit de hand. Dat laatste gold niet alleen voor de zijne, maar hij was misschien wel de rechtlijnigste van het stel.

Nu, dertig jaar en vele andere projecten later, heeft Eric Idle de roman The road to Mars geschreven, met de woordspelige ondertitel a post-modem novel, en nog steeds blijkt hij te kunnen vasthouden aan een eenmaal gekozen uitgangspunt. Verschillende verhaallijnen zet hij op, en die blijft hij tot in de uiterste consequenties volgen – als een jongleur die de balletjes langdurig in de lucht weet te houden.

Zijn verteller is een hoogleraar die in de drieëntwintigste-eeuw de blits hoopt te maken met een studie over de humor van het eind van de twintigste eeuw. De man ontpopt zich helaas als een ijdele kletsmajoor, hetgeen zijn bijdragen aan het boek nogal vermoeiend maakt, maar snijdt wel een buitengewoon interessant onderwerp aan. Hij blijkt immers de hand te hebben gelegd op de bevindingen van een robot, die honderd jaar eerder in het gezelschap van een komisch duo heeft verkeerd en trachtte iets te begrijpen van hun grappen. Voor de op een Nobelprijs azende professor werpt deze rapportage de vraag op of een kunstmatig wezen ooit in staat zal zijn te snappen wat humor is.

Misschien heeft Idle ooit de aflevering van de tv-serie Star Trek gezien, waarin de androïde Data soortgelijke pogingen in het werk stelde – en faalde. In elk geval maakt hij aannemelijk dat ook deze robot in het duister tast. Wie de redeneertrant van dit wezen volgt, zou er bijna zelf van in de war raken. Humor is inderdaad een kwestie die zich niet laat vangen in antropologische, linguïstische, mathematische of genetische formules. ``Komedie was gemaakt door mensen en daarom ergerlijk onprecies', overweegt hij. Neem – en daar veroorlooft Idle zich een privé-grapje – zo'n twintigste-eeuwse tv-serie als Monty Python's Flying Circus. Op dat punt is de professor het zelfs met de robot eens: daar was geen touw aan vast te knopen, allemaal rare onzin.

Aan een intrigerende ideeënroman had Eric Idle echter niet genoeg. Hij wilde er ook nog een spannend sf-verhaal omheen bouwen, waarin de twee komieken een interplanetaire tournee maken in de hoop op Mars te eindigen (blijkbaar een toekomstig artiestensummum, zoals Carré of Broadway dat nu zijn) en verzeild raken in een wereld van star wars, complotten, misdaad in de ruimte, bedrog, passie en meer van dat fraais. Het is een ingenieus borduurwerkje, waarin alle losse eindjes tenslotte worden samengeknoopt. Maar het is alles bij elkaar ook wat veel, zodat het verhaal zelden vleugels krijgt. Men ziet de constructie er nog dwars doorheen.

Het gaat over humor en ironie, er staan heel wat moppen uit het klassieke komiekenrepertoire in, en toch lijkt me dat Idle zichzelf als romancier net iets te serieus heeft genomen. Hij draaft door, en dat is hier minder leuk dan het in Monty Python was.

Eric Idle: The road to Mars. Boxtroo/Macmillan Publishers, 310 blz. ƒ39,95