De twee apen van Szymborska

Van apenstaartje tot apenkooi, dat is het thema van de kinderboekenweek dit jaar. Ik moest bij die twee apenwoorden denken aan de twee apen van Wislawa Szymborska, de twee eindexamenapen die voor haar geestesoog verschijnen als zij weer eens door haar eindexamendroom wordt bezocht. De meeste mensen doen in hun leven één keer eindexamen, maar sommigen blijven er hun hele leven van dromen. Dat zal wel komen door de bijbehorende examenvrees en faalangst, of juist door het licht droevige karakter ervan (afscheid van de school, afscheid van de jeugd) en misschien ook wel door de symbolische schaduw die er overheen hangt. Eens zullen wij allemaal een ander eindexamen moeten doen, voor een andere leraar, al dan niet bijgestaan door een gecommitteerde, en dan zal blijken of wij tijdens ons leven ons huiswerk wel goed hebben gedaan.

Dit is wat er in Szymborska's droom gebeurt:

Zo ziet mijn grote eindexamendroom eruit:

twee apen zitten aan de ketting voor het raam,

buiten waait de hemel voorbij

en baadt de zee.

Het vak is de geschiedenis der mensen.

Ik stotter en modder.

De ene aap, die me aanstaart, luistert ironisch,

de andere doet alsof hij dommelt –

maar wanneer op een vraag een stilte volgt,

zegt hij me voor

door zacht te rammelen met zijn ketting.

De gemiddelde lezer zal bij het lezen van het woord `eindexamen' in de eerste regel licht gealarmeerd raken, maar dat is niet nodig: het zijn apen die hier het examen gaan afnemen. Nu kunnen apen veel vertegenwoordigen (`symbool van dwaasheid, ijdelheid en zelfoverschatting' lees ik in het symbolenboek), maar geen wijsheid of gewiekste vragenstellerij. Dus met dat eindexamen zou het goed moeten aflopen. Toch sluipt er gaandeweg iets dreigends in de droom. De dichteres begint te stotteren en te stuntelen. Wat te denken van het staren van de ene aap? Wat heeft die ironische grijns te betekenen? En wat voert die andere, die stille, precies in zijn schild? Redenen genoeg om de zaak te wantrouwen, maar dan volgt er weer een nieuwe opluchting: die stille helpt haar door haar zachtjes met zijn ketting voor te zeggen.

Het is een vreemde droom, met veel rolwisselingen. De dichteres (die 34 was toen het gedicht gebundeld werd, in 1957) is hier weer een bange leerling. De aapjes, die volgens de traditie de mens juist na-apen, hebben hier opeens de macht gekregen. Maar zij vallen ook meteen weer uit hun rol door de leerling te gaan souffleren. Is dit nu een komisch of een dreigend gedicht? Of is het juist troostrijk, vanwege die solidariteit tussen ondervrager en ondervraagde aan het slot? Is het een emblematisch geval: een lof der zotheid?

En zou het veel helpen als je weet dat het gedicht `De twee apen van Bruegel' heet, en dus betrekking heeft op het kleine schilderij met die naam, uit 1562, van Breugel? Ik heb lang naar het plaatje gekeken, en het vervolgens lang naast Szymborska's gedicht laten liggen, maar het wilden voor mij maar geen examinatoren worden, deze zielige, in elkaar gedoken, angstig kijkende, geketende apen. Geen dieren om te vrezen, eerder om medelijden mee te hebben. De Breugelkenners weten ook nog niet zo goed raad met dit portret. De aap zou het zinnebeeld zijn voor de mens die gebonden is aan zijn lagere driften – zoiets zeggen ze dan (en de kettingen symboliseren dan die gebondenheid). Er is ook wel gesuggereerd dat Breugel hier zichzelf en zijn landgenoten portretteerde: in de boeien geslagen door de Spanjaarden. De toren van de apen schijnt uitzicht te bieden op de rede van Antwerpen, waar Breugel toen woonde.

Zo'n interpretatie roept meer vragen op dan ze beantwoordt (waarom vereenzelvigde Breugel zich nu juist met een aap?), en voert ons ook steeds verder weg van het eindexamendroomvers van Szymborska – ware het niet dat juist deze `politieke' lezing van Breugels schilderij mij opeens een nieuwe lezing van Szymborska's gedicht ingaf. Te bewijzen valt er niets, zoals meestal in kunst en bij dromen, maar dat zou de dichteres ook wel eens heel goed hebben kunnen uitkomen toen zij dit gedicht schreef en publiceerde: in 1957, in communistisch Polen, toen vrijuit spreken en spotten niet mogelijk was. `De geschiedenis der mensen' is een schoolvak waarin het communisme het zoals bekend niet al te nauw nam met de waarheid. Geen wonder dat de dichteres juist in dit vak de antwoorden schuldig moet blijven, en geen wonder dat de leraren die het examen moeten afnemen met een ironische blik naar haar luisteren, of haar zelfs proberen voor te zeggen, want zij weten ook wel dat de voorgeschreven communistische antwoorden weinig met de werkelijke geschiedenis der mensen te maken hebben.

De leraren zijn veroordeeld tot na-apen en napraten – en intussen stiekem voorzeggen. In scherp contrast daarmee: het uitzicht, achter hen, op een voorbijwaaiende hemel en een zee die een bad neemt. De geketende waarheid tegenover de dichterlijke vrijheid: de vrijheid om in symbolen de waarheid te spreken – en de vrijheid om zichzelf ook weer uit deze nachtmerrie te bevrijden, met een zacht rammelende ketting.