De Hades tegemoet

De schrijfster Iris Murdoch overleed aan de ziekte van Alzheimer. Haar weduwnaar John Bayley schreef over haar en haar ziekte.

John Bayley (1925), hoogleraar in de Engelse literatuur in Oxford, huwde in 1956 een stiertje. Veertig jaar later eindigde hij met een waterbuffel. Het zijn zijn eigen woorden. Zijn vrouw was Iris Murdoch, een van de grootste Britse auteurs van deze eeuw. Murdoch was koppig, speels en een beetje bazig. Ze had Bayley een leven lang de weg gewezen. Terwijl hij kookte, stippelde zij hun vele reisroutes uit en behoedde hem voor ongelukken. Ook schreef ze zevenentwintig romans en enkele filosofische verhandelingen. In 1978 kreeg ze de Booker Prize voor The sea, the sea, tien jaar later ontving ze de titel Dame of the British empire.

In de laatste vier jaar van hun huwelijk, dat meer dan veertig jaar duurde, leed Murdoch aan de ziekte van Alzheimer. Bayley verzorgde haar zo lang mogelijk zelf, totdat ze, een maand voor haar dood, weigerde nog te eten en te drinken. De `waterbuffel-ziekte' had haar veranderd in een log, lief schepsel dat hem overal achtervolgde. Als hij op de wc zat, stond zij buiten te bulken.

Iris Murdoch overleed in februari van dit jaar, 79 jaar oud. Haar man schreef in de jaren dat Alzheimer haar geest stap voor stap afbrak, twee boeken over de ziekte, over hun huwelijk, over haar en over zichzelf. Ontluisterend eerlijk is hij, en haar tegelijk honds trouw. John Bayley was onlangs in Amsterdam omdat de Nederlandse vertaling van zijn eerste boek over Iris verscheen, getiteld Elegie voor Iris. Het tweede boek, Iris and the friends, is net in Engeland verschenen.

John Bayley is een kleine oude man met een hoog opgehesen broek. Hij wekt vertedering, met zijn kale hoofd waar nog wat vage vlokjes haar op ronddwarrelen. Hij stottert een beetje. In zijn waterige ogen twinkelt spot en intelligentie. Hij praat over Proust en Tolstoj alsof het oude bekenden van hem zijn. Met intense betrokkenheid spreekt hij over echte mensen en over fictieve personages, bijvoorbeeld die van Milton.

Als Bayley over zijn vrouw praat, klinkt in zijn stem niets dan liefde en bewondering door, net als in zijn boeken over haar. Haar werk noemt hij veel belangrijker dan het zijne, haar filosofisch vermogen ,,oneindig veel groter''. Zelf schreef hij ook enkele romans, maar die zijn ,,heel gewoontjes'', in tegenstelling tot de hare. In het dagelijks leven was Iris Murdoch ,,alleen maar lief''. Van haar eigen krachten en talenten had ze weinig weet, zegt haar echtgenoot, ze was ,,bescheiden en naief''. Vervelend was ze nooit. De Alzheimer maakte haar soms vervelend, dat wel. En daarvoor had ze af en toe een buitengewoon vervelende minnaar, grinnikt hij, zoals dr. Canetti, de Nobelprijswinnaar.

Murdochs affaire met Canetti, `het monster van Hampstead', zoals Bayley schrijft, speelde zich af in de jaren dat hij nog niet met haar getrouwd was, maar ze al wel een verhouding hadden. Na haar dood las Bayley in haar dagboek: ,,Ik heb genoeg van de vader, nu kies ik voor de zoon''. Bayley trekt wat extra rimpeltjes in zijn gezicht: ,,Ze maakte zich los, of, zoals Canetti ongetwijfeld zou zeggen, hij liet haar gaan. Ik betekende ontspanning, bevrijding voor haar.''

Groene thee

Niets of niemand kon een wig drijven tussen Bayley en Murdoch, Canetti niet, en zelfs `die andere dokter' niet, zoals Bayley schrijft. Dokter Alzheimer. ,,Ook al kon Iris al gauw niet meer praten, niet meer articuleren, we begrepen elkaar'', zegt hij. Hij geeft een tedere imitatie van hoe ze naar hem opkeek, hoofdje schuin, vanaf haar kussen in bed. Als zij sliep, zette hij een kop groene thee en ging aan het werk, naast haar in bed zittend.

Met de typemachine op zijn knieën schreef Bayley dan over het leven met zijn vrouw, en over zijn eigen jeugd: ,,Ik vond compensatie voor het heden door over het verleden te schrijven. Het vrolijkte me op, het was verslavend.'' Schrijven over Iris was, glimlacht hij tevreden, ,,een manier om haar te eren.'' Hij had geen vooropgezet plan, maar liet zich leiden door associaties. Op een keer, toen hij zich met zijn groene thee naar boven spoedde, haakte zijn vest zich vast aan een stoel en bleef hij hangen. Het bracht een stroom herinneringen aan zijn kindertijd op gang, toen hij een tijdlang bang was in een dievenklem te lopen. De herinneringen kwamen terecht in Iris and the friends. Hij schiftte nauwelijks: ,,Het kwam zo uit mijn typemachine gestroomd.''

Bayleys beide boeken zijn met niets dan lof ontvangen, afgezien van een criticus die schreef dat ze bestonden uit `willekeurige restjes'. Bayley, die zelf jarenlang kritieken schreef, kan het zich wel voorstellen. ,,Ik heb zelf vaak gebibberd voor ongestructureerde boeken.'' Murdoch kende haar romans al voor ze ze schreef. ,,Mijn boek is af, zei ze dan. Nu hoef ik het alleen nog maar op te schrijven.'' Bayley kan er nog verbaasd over zijn. Murdoch praatte nooit over haar boeken, hij las ze pas als ze waren gedrukt. Alleen over het personage Jackson uit haar laatste boek Jackson's Dilemma zei ze ineens dat ze geen vat op hem kon krijgen, hem niet begreep. Bayley vermoedt dat dat het eerste signaal van Alzheimer geweest is: ,,Vanaf dat moment begon ze weg te drijven, van zichzelf en van mij, de Hades tegemoet.''

Redden kon John Bayley `zijn Eurydice' niet. `Ze droeg de onderwereld bij zich', schrijft hij in Iris and the friends. Er was geen ontsnappen aan. Troost en rust kon hij haar soms wel bieden. Hij koerde tegen haar als tegen een kind, gaf haar bijnamen, schonk aandacht aan alle peukjes en de rommeltjes die ze van straat haalde. Hij gaf haar zoveel mogelijk haar zin, kleedde haar al gauw niet meer uit als ze naar bed ging, deed haar zelden in bad, want dat vond ze verschrikkelijk. `s Middags keken ze samen naar de Teletubbies. Bayley gaf de dagen een vast patroon. Haar angst bevocht hij met humor en speelsheid: ,,Tijdens het dagelijkse ommetje dansten we regelmatig zingend rond de heg.''

Bayley voelde zich steeds meer één worden met zijn vrouw, zij afhankelijk van hem, hij van haar. Haar ziekte bepaalde ook zijn leven, zijn rol. Hij vond het fijn voor Iris te zorgen en het bracht hem aan het schrijven. Nu heeft hij geen onderwerp meer: ,,Met haar dood is mijn behoefte van haar te vertellen verdwenen, lijkt het. Misschien moest ik nu maar iets maken over het weduwnaarschap.'' Hij overweegt het echt, beweert hij, maar lacht dan ineens als een ondeugend kind: ,,Ik weet alleen niet zeker of zo'n boek gretig aftrek zou vinden.''

In Elegie voor Iris schrijft Bayley: `De intimiteit die we ondervonden door ieder onze gang te gaan is noodzakelijkerwijs de intimiteit van voortdurende nabijheid geworden.' In een huwelijk moeten echtgenoten niet alles willen delen, vindt hij. Het is een van zijn stokpaardjes. ,,Ik ben natuurlijk niet de eerste die het opmerkt. `In a marriage you move closer and closer apart', schreef A.D. Hope, een Australische dichter'', zegt hij. ,,Je weet dat je gekoesterd wordt, vastgehouden, omarmd, maar je bent toch alleen. De eenzaamheid van het huwelijk is een vreugdevolle, vriendelijke eenzaamheid.'' Voordat Murdoch Alzheimer kreeg, voelde Bayley aan wat zich in haar geest zou kunnen afspelen, maar vroeg er niet naar. ,,Alleen als je elkaar volkomen begrijpt, kan dat. Het komt voort uit de vanzelfsprekendheid van de ander, van de verhouding met de ander.'' Of, zoals hij schrijft: `De gelukkigste huwelijken zitten vol alternatieve levens, die worden geleefd in het hoofd, onbekend voor de partner.'

Rotzooi

Bayley en Murdoch leidden een ordeloos, knus leven samen. De huizen die zij bewoonden, slibden onveranderlijk vol rotzooi, want niemand ruimde op of maakte schoon. Toen ze last van ratten kregen, deden ze er wel wat aan, maar eigenlijk vonden ze het wel gezellig en interessant het huis met ze te delen. Ze reisden veel. In haar eentje ondernam de schrijfster ook allerlei reisjes, naar Londen en verder, vermoedelijk om haar minnaars en minnaressen te ontmoeten. Bayley weet het niet precies en het is een van die dingen die hij ook niet hoefde te weten. De ontmoetingen bedreigden hun huwelijk niet.

Van het krijgen van kinderen was nooit sprake. `Het liet haar op een onbevangen manier onverschillig', schrijft Bayley in zijn eerste boek over hun leven. `[-] ze had het gewoon nooit over kinderen. Haar terughoudenheid over het onderwerp was volkomen natuurlijk.' Op de vraag of hij dan geen kinderen wilde, reageert hij nauwelijks. Maar in de boeken schrijft hij dat het waarschijnlijk prettig is je te verheugen in de toekomst van je kinderen, als je voor jezelf geen verwachtingen en plannen meer hebt. Hij is ervan overtuigd dat Murdoch een geweldige moeder zou zijn geweest: ,,Grote kunstenaars hebben een enorme energie. Daar vinden ze op een haast willekeurige manier een uitingsvorm voor. Als Iris kinderen had gekregen, had ze al die meesterlijke boeken nooit geschreven.''

Zichzelf schildert John Bayley graag af als een sukkel. Hij beschrijft hoe hij tot twee keer toe zijn ondergebit in zee verliest, hoe hij brillen kwijtraakt en voortdurend overal aan blijft haken met zijn kleren. Het zijn benauwde momenten, die hij vol zelfspot beschrijft. Hij zit vast in de voordeur, dichtgeslagen met zijn jas ertussen, terwijl gekke Iris vrij rond loopt te dazen en er elk moment vandoor kan gaan. Bayley laat zich het leven overkomen als een goedmoedig toeschouwer. Zijn levensinstelling heeft iets kinderlijks: ,,Ik geloof in de wet tot behoud van ellende en de wet tot behoud van plezier. Een remedie tegen de ene kwaal betekent de komst van een andere. Zo blijven er ook altijd dingen om om te lachen. Elke fase van Iris' Alzheimer had zo zijn eigen gruwelijkheid, maar ook zijn eigen humor.''

Overwoekerd

Aan het begin van hun huwelijk deed John Bayley enkele vage pogingen het huis en de tuin op orde te houden. Iris Murdoch kon het niets schelen dat alles verstoft en overwoekerd raakte. ,,Al gauw verviel ik in een staat van vrome berusting'', zegt Bayley. ,,Ik liet het maar gewoon gebeuren.'' Van enig verzet tegen zijn vrouw is in de boeken wel sprake. Toen hun eerste huis wegens gebrek aan onderhoud min of meer op instorten stond, kocht Bayley zonder haar te raadplegen een keurig nieuw huisje in een nette buurt. `Ineens wist ik hoe ik wilde leven, en dat was heel anders dan we tot nu toe gedaan hadden', schrijft hij. ,,Ach, dat was een vlaag van opwinding'', glimlacht de oude man vaag als je hem ernaar vraagt. ,,Ik was volkomen gelukkig aan Iris' zijde. En zij aan de mijne, denk ik.''

`Ik wist dat ze graag bij mij wilde zijn om zich niet altijd volwassen te gedragen', schrijft Bayley. Samen spraken ze `een soort kindertaal', ze koesterden hun naïviteit. Bij hem hoefde ze zich niet te schamen voor haar geloof in ufo's of, met vakantie in Schotland, in het bestaan van het monster van Loch Ness. Bayley las Murdoch Peter Pan voor, het prachtige verhaal van de jongen die nooit een volwassen man wordt. Murdoch wijdde Bayley in in de liefde. `[Op een dag] zei ze ineens opgewekt: Misschien is het tijd om met elkaar naar bed te gaan', schrijft hij. En: `Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het Iris in bed afging met minnaars wier benadering ambitieuzer en veeleisender was dan de mijne (-). In ons tweepersoonsbed heerst diepe, diepe tevredenheid, na het tumult van de chaise longue [-].'

Bayley en Murdoch hadden hun leven lang iets weg van twee innig spelende kinderen, een beetje zoals zus met jonger broertje. Alzheimer veranderde alles. ,,De ziekte maakte van Iris een echt kind, een veeleisende driejarige'', zegt Bayley. Het wekte zijn woede, op Alzheimer, nooit op haar. Woede was voor hem tot dan toe een vrijwel onbekende emotie. ,,Ik heb wel tegen haar staan schreeuwen en schelden, dat het voor mij allemaal nog veel erger was. Of ik zei op een redelijke toon, als ik eindeloos vergeefs had geprobeerd haar hielen in haar schoenen te wurmen, haar armen door mouwen: heb je enig idee hoezeer ik je haat? Het zorgen putte me uit. Als wanhoop en razernij de overhand dreigden te krijgen, voelde Iris dat. Een keer zei ze: Niet slaan. Daar schrok ik erg van.'' Toen Bayley zelf op een keer huilde als een kind, ,,met gierende uithalen'', kwam er bij haar ineens iets moederlijks boven. ,,Ze suste me: stil nou maar, stil nou maar.''

Lang voordat Iris Murdoch Alzheimer kreeg, kocht het echtpaar eens een pastei: `a pork pie, a very fine pie indeed, from some superior delicatessen', schrijft Bayley in Iris and the friends. Thuisgekomen zetten ze hem op tafel, waar de pastei moest wachten tot het diner. Maar als de tijd daar is, blijkt hij verdwenen. Spoorloos verdwenen. `Gone to Pieland' was sindsdien hun vaste uitdrukking voor alles wat verdween, wat oploste in het duister, van spullen tot herinneringen. Uit Elegie voor Iris en Iris and the friends spreekt Bayleys angst voor de dag dat Iris zelf naar Pieland vertrekt. Nu het zover gekomen is, glimlacht hij erom: ,,She kept me safe. And still does.''

John Bayley, Elegie voor Iris. Vertaald uit het Engels door Hein Groen en Gijs Went, uitgeverij De Bezige Bij, ƒ 39,90.

Iris and the friends. A year of memories. Uitgeverij Duckworth,

ƒ 66,95.

`Iris was een geweldige moeder geweest, maar dan had ze al die meesterlijke boeken nooit geschreven'

`De eenzaamheid van het huwelijk is een vriendelijke eenzaamheid'