De Bergrede

In de opera te Parijs heb ik eens op het schellinkje de opera Cenerentola aanschouwd. In de diepte zong Teresa Berganza. Ik kon haar woord voor woord verstaan. Terwijl ik luisterde, dacht ik: zou zij als ik een psalm zing, mij ook woord voor woord kunnen verstaan? Een paar jaar later bezocht ik in Fiesole een oud amfitheater. Hanneke bleef beneden, ik klom naar de hoogste bank. Hanneke zei iets, ik kon haar heel goed verstaan. Toen zei ik iets. Ze kon mij niet horen.

Geluid gaat gemakkelijk van beneden naar boven. Omgekeerd heb je een probleem. Mattheüs schrijft in het eerste vers van hoofdstuk 5: `Toen hij nu de schare zag, ging Hij den berg op.' Vervolgens spreekt Jezus de Bergrede uit.

Arme schare luisteraars! Ze hebben er niets van kunnen verstaan. Wie bovenop een berg gaat staan en mensen toespreekt die beneden vertoeven, preekt vergeefs. Niemand hoort hem. Des te merkwaardiger dat maar liefst drie hoofdstukken Bergrede in het Evangelie van Mattheüs te vinden zijn. Niemand verstond iets, en toch blijkt alles opgetekend!

Merkwaardig ook dat de andere evangelisten niets opgetekend blijken te hebben van de belangrijkste preek van Jezus. Nou ja, niets, vrijwel niets. Lucas heeft wat afwijkende brokstukken, geeft bijvoorbeeld vier van de negen zaligsprekingen (plus vier akelige vervloekingen die bij Mattheüs weer ontbreken), maar vermeldt nergens dat die zaligsprekingen op een berg werden uitgesproken. Ook Marcus heeft hier en daar een snippertje Bergrede, maar wat hij er ook over optekent: niet dat die snippers vanaf een berg op de schare neerdaalden.

De Bergrede die derhalve nooit in deze vorm kan zijn uitgesproken, begint met de zaligsprekingen. Daar werd in mijn jeugd in de kerk altijd heel dierbaar over gedaan, en César Franck schreef er zelfs een prachtig oratorium over, maar als je ze goed bekijkt, blijken ze toch erg gratuit te zijn. `Zalig die treuren want zij zullen vertroost worden.' We hebben alleen al dit jaar heel wat treurenden gezien – Kosovo, Turkije, Taiwan – maar ik denk niet dat je ook maar één van die treurenden had kunnen opbeuren met de vrijblijvende mededeling: Beste meid, je treurt omdat je man dood is, maar je zult vertroost worden.

Eigenaardig is ook dat gezegd wordt: `Zalig zijn de reinen van hart want zij zullen God zien.' Krijgen de andere gelovigen God dan niet te zien? En de ongelovigen? Na mijn vorige bijbel-column kreeg ik brieven waarin werd aangekondigd dat ik mij mettertijd voor de rechterstoel van God zal moeten verantwoorden. In dat geval krijg ik, allerminst rein van hart, God toch ook te zien? Of word ik geblinddoekt voorgeleid?

Volgens Jezus zullen de zachtmoedigen de aarde beërven. Helaas, daar is tot op heden bitter weinig van te merken. De vredestichters, zegt Jezus, zullen kinderen Gods genoemd worden. Daar schiet je bitter weinig mee op, lijkt me. En zijn de andere gelovigen dan geen kinderen Gods?

Verderop in die Bergrede krijg je te horen dat je als je je broer dwaas noemt, zult vervallen aan het hellevuur. Me dunkt: een draconische straf. Je mag toch aannemen dat opmerkelijk veel gelovigen hun broers en zusters in een onbewaakt ogenblik het woord `dwaas' hebben toegevoegd. Zowel mijn broer als mijn zus hebben dat, geheel terecht trouwens, af en toe tegen mij gezegd. Ze hoeven daarvoor niet te branden in de hel, integendeel, ik ben ze er dankbaar voor.

In vers 27 van het vijfde hoofdstuk klinken vanaf de berg deze woorden: ,,Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. Maar ik zeg u: een ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds overspel met haar gepleegd.'' Mijn vader zei altijd: ,,Als je 't in je hart toch al gedaan hebt, kan het niet veel erger zijn als je het in werkelijkheid doet.'' Dus 't is nogal een troostrijke tekst. Jezus bedoelt: ,,als je iemand leuk vindt, heb je 't eigenlijk al gedaan, dus tast maar toe.''

Ik vind die tekst om twee redenen merkwaardig. Ten eerste zegt Jezus niet: degeen die al getrouwd is, maar een andere vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel gepleegd. Nee, hij zegt: een ieder. Iedereen – dus ook alle ongehuwden! – die een vrouw aanziet om haar te begeren pleegt overspel. Anders gezegd: niemand mag een vrouw aanzien om haar te begeren. Nou ja zeg!

Ten tweede zegt Jezus niets over de begeerte van vrouwen. Een vrouw kan blijkbaar een man niet aankijken om hem te begeren. Met `een ieder' wordt, zo blijkt uit het vervolg, uitsluitend het manvolk bedoeld. Verderop blijkt nog duidelijker dat Jezus het zwakke geslacht bruut discrimineert. Hij zegt: ,,Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt.'' Geen woord over de mogelijkheid om de man weg te zenden vanwege ontucht. In de Bergrede blijkt de vrouw wegzendbaar, maar de man niet.

Opmerkelijk is ook de passage over de wang, het hemd en de mijl. ,,Wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; en zal iemand u voor een mijl pressen, ga er twee met hem.'' Hoeveel christenen ik ook heb meegemaakt in mijn jeugd, nog nooit heb ik er ook maar één ontmoet die handelde naar deze tekst.

In vers 46 lezen we: ,,Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?'' Hoe merkwaardig om liefde te koppelen aan een vorm van uitbetaling in loon. Alsof je niet belangeloos, zonder ook maar één seconde aan loon te denken, zou kunnen – sterker: zou moeten! – liefhebben. Wat voor loon hebt gij? Wat een eigenaardige, uiterst benepen gedachtegang gaat daarachter schuil. Loon, ajakkes!

Dat loon keert ook weer terug in het eerste vers van hoofdstuk zes. ,,Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader.'' Alsof je terwille van een of andere door de Vader uit te betalen vorm van loon in 't verborgene gerechtigheid pleegt. Alsof je zoiets niet belangeloos zou kunnen doen. Dat loon, ik vind dat zoiets miezerigs.

Wellicht de mooiste tekst die vanaf de berg onverstaanbaar bleek is te vinden in hoofdstuk 6 vers 14 en 15. Daar zegt Jezus: ,,Indien gij den mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij den mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.'' Een tekst geheel in overeenstemming met de even daarvoor in het Onze Vader geuite wens: ,,En vergeef ons onze schulden. Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.''

Jezus koppelt Gods vergeving derhalve nadrukkelijk aan onze vergeving. Vergeven wij, dan vergeeft God. Niets over kruisdood, verzoening, schuldvergeving, zoenbloed. Welnee, de zaak is heel eenvoudig. Als wij vergeven, vergeeft God ook. Allicht, waarom niet? God is immers almachtig, zou Hij zelf niet kunnen wat Hij van ons verlangt? Dient er eerst iemand gekruisigd te worden voor Hij vergeven kan? En wij dan? Wij kruisigen toch ook niet om te bewerkstelligen dat wij kunnen vergeven?

In het vierentwintigste vers van hoofdstuk zes zegt Jezus dat niemand twee heren kan dienen. ,,Gij kunt niet God dienen en Mammon.'' Ach, hoe onjuist is dat gebleken! Door de eeuwen heen hebben christenen net zoveel van geld als van God gehouden!

Het is maar goed dat `de schare' die Bergrede niet heeft kunnen verstaan, want het is toch voornamelijk onzin.