Als het maar waar is

Plots zijn stomvervelend, vinden toneelschrijver Edward Albee en zijn protégé Earl Douglas Mitchell. Personages en hun onvermogen, daar gaat het om.

Ze hebben opmerkelijk veel gemeen. Bijna even oud, opgegroeid in rijkdom. Beiden zijn toneelschrijver, hun stukken lijken op elkaar, hun sneakers al niet minder. Alleen is Edward Albee wereldberoemd - een levende legende heet zo iemand - en Earl Douglas Mitchell niet. Een ander, wellicht daarmee samenhangend verschil is, dat Albee bijna veertig jaar geleden al debuteerde en Mitchell, hoewel hij al meer dan dertig stukken schreef, pas acht jaar geleden. De meester leerde de leerling kennen - want zo ligt de hiërarchie in een geval als dit - toen Albee drie jaar geleden een workshop gaf op de Rice-University in Houston, VS. Albee treedt veelvuldig op met lezingen, masterclasses, (openbare) ensceneringen van eigen werk. In Houston ensceneerde hij Mitchells How to sacrifice a child (1996). Sindsdien praten ze over elkaar met liefdevol respect.

Toen theaterproducent Gislebert Thierens Albee drie jaar geleden vroeg ook in Nederland een van zijn stukken te komen regisseren, stelde de schrijver een tweeluik voor. The Zoo Story, uit 1958, ging begin jaren zestig in Berlijn in wereldpremière en werd uitgevoerd samen met Samuel Becketts Krapps Laatste Band. Nu regisseert de schrijver het samen met Mitchells Old Friends, ook een eenakter. De stukken lijken sprekend op elkaar. Ze spelen zich buiten af, het eerste in een park, het tweede op straat. Stadsbanken zijn de enige rekwisieten. Er zijn slechts twee personages, waarvan het ene aangepast-burgerlijk is en niet lastiggevallen wil worden, en het andere een spraakzame vreemde vogel. Ze praten langs elkaar heen, op een onheilspellende manier, die doet verlangen naar een nuchtere vraag, naar opheldering - die uitblijft. In beide stukken valt de stijl - een tegen het absurdisme aanhangend realisme - samen met het thema: het onvermogen te communiceren en contact te maken. De eenzaamheid, de vraag wie er nu eigenlijk gek is. Beide schrijvers stellen niet eens zozeer de heersende moraal ter discussie, als wel datgene wat als `normaal' wordt ervaren.

Aandacht

In een oud repetitielokaal in Amsterdam-West is Albee een en al geconcentreerde aandacht voor de prestaties van zijn acteurs, Victor Löw en Leslie de Gruyter. Hij is de glamour voorbij, in niets doet hij denken aan een beroemdheid. De schrijver van het veelbekroonde Who's afraid of Virginia Woolf? (1962), dat altijd wel ergens ter wereld wordt uitgevoerd en tot de meest gespeelde stukken van deze eeuw behoort, zit ineengedoken achter de regietafel. Hij draagt een te wijd shirt over zijn smalle schouders, en een vale spijkerbroek, twee grote vleeskleurige gehoorapparaten glimmen aan weerszijden van zijn hoofd en van zijn neus glijdt onophoudelijk een reusachtige bril. ,,Hij is een te complexe geest om iets anders te zijn dan eenvoudig'', zegt Earl Douglas Mitchell later.

,,Het heeft helemaal geen zin om met mij praten'', zegt Albee (71) zelf, na de repetitie. Zijn ogen twinkelen vriendelijk achter de reuzenglazen, hij meent oprecht wat hij zegt. ,,U weet alles wat er te weten valt en dat is hoe dan ook aan twijfel onderhevig. Er is net weer een biografie van me uit, waarin staat wie ik ben, wat ik gedaan heb en waarom ik het gedaan heb. Maar met mij heeft dat dikke boek nauwelijks iets te maken: wie zegt wat waar is en wat niet? Ik weet het zelf niet eens, het geheugen, onze hersenen zijn volstrekt onbetrouwbaar. Mijn stukken en mijn personages: die zijn waar. Ikzelf ben niet meer dan een intermediair voor ze geweest, ik heb ze de vrijheid gegund om onder mijn pen te worden wie ze zijn geworden. Begrijpt u? Ze zijn een product van meditatie. Ik heb mijn onderbewuste, dat vervuld is van gebeurtenissen en mensen om mij heen, slechts gelegenheid gegeven door te dringen tot mijn bewustzijn.''

,,Ons verstand is geheel en al ontoereikend'', zegt Douglas Mitchell (69). Hij is een orthodox christen en vindt dat niet vreemd voor een wetenschapper, die vloeiend vijftien talen spreekt en zichzelf tijdens de repetitieperiode ook al Nederlands heeft geleerd. ,,Ik ben smart, smart, smart - iedereen zegt het -, maar dat betekent helemaal niets. Het gevoel, onze intuïtie zijn veel preciezer en daardoor veel belangrijker dan onze geest. Alles aan mijn geloof is onzinnig: je gelooft erin of je verwerpt het. Ik verkies erin te geloven, omdat ik besef een irrationeel wezen te zijn, zoals alle mensen. Ik ben pas op mijn zestigste begonnen met schrijven, omdat ik toen pas voelde iets te zeggen te hebben. Ik heb er geen idee van of wat ik schrijf goed is of slecht; of het literaire kwaliteit heeft, kan me geen klap schelen. Als het maar wáár is.''

Albee, een wees, werd geadopteerd door een rijk kinderloos echtpaar in New York. Hij had een gevoelsarme jeugd , verliet op zijn achttiende het ouderlijk huis, kwam in kunstenaarskringen in Greenwich Village terecht en werd op zijn vijfendertigste op slag wereldberoemd met Virginia Woolf. Mitchell had een ,,geweldige jeugd''. Hij is een nazaat van Cherokee-Indianen. Zijn overgrootvader bezat het grootste deel van Arizona, `van Tulsa tot Oklahoma-City'. ,,Ik ben geboren op dat land, in Owassa, wat `einde van het spoor' betekent. Er was geen water, geen electriciteit, iedere keer als mijn familie een waterput probeerde te slaan, kwam er olie uit. Ik ben een rijk man, maar geld zegt me niets, ik geef het weg aan onderwijs- en kunstinstellingen. Iedereen kent me dan ook in Houston, zo gaat dat.''

Lynchpartij

Mitchell:,,Op mijn zestigste barstte mijn hoofd uit elkaar, ik moest iets verzinnen, een uitlaatklep. Ik ben gaan schrijven. Mijn voornaamste thema is de dood. Als kind was ik getuige van een lynchpartij in ons stadje, ze trokken aan de benen van een kruimeldief om zijn nek te breken. Of dat een trauma heeft veroorzaakt, weet ik niet. Zoveel ervaringen kunnen traumatisch zijn. We willen voortdurend dingen die we niet kunnen krijgen of waar we maar kort van kunnen genieten. Dat is frustrerend. Niemand wil dood, om maar eens wat te noemen - nee, niemand wil dood, ook zij die zeggen van wel, willen het niet. Maar iedereen gaat dood: me dunkt, dat zoiets stof geeft.''

,,Jerry, een van de personages uit Zoo Story, wil niet meer van het begin af aan dood'', antwoordt Albee op de vraag of hij ooit iets aan zijn eigen stukken verandert, nu hij ze zelf vaak regisseert. ,,Aanvankelijk liet hij zich direct al aan het begin van Zoo Story ontvallen dood te willen, maar dat heb ik veranderd. Mijn personages moeten zo reëel mogelijk zijn en die doodswens is pas reëel aan het eind van het stuk. Ik weet alles van mijn personages, over hun jeugd, hun liefdes, hun mislukkingen, ook al staan die niet in het stuk beschreven. Maar dat Jerry dood wilde, was me nog niet bekend, daar kwam ik pas achter tijdens het schrijven. Ik heb het stuk aangepast aan het besef van dat inzicht.''

Ook Mitchell weet alles van zijn personages. ,,Daarom zijn het er altijd maar drie, hooguit vier. Ze zijn allemaal afsplitsingen van mezelf, althans stemmen in mijn hoofd, en meer zou ik niet uit elkaar kunnen houden. Om dezelfde reden schrijf ik voornamelijk eenakters, avondvullende stukken draaien al gauw om plots en die zijn stomvervelend. Iedereen kent alle plots van de hele wereld. Uiteraard wordt mijn zwak voor de eenakter versterkt door mijn voorbeeld Albee, die op zijn beurt beïnvloed is door Beckett, Strindberg, Tsjechov. Hij heeft me geleerd hoe je een stuk in elkaar zet: als een muziekstuk, met terugkerende motieven en een onderhuidse klank, die van begin af aan aanwezig moet zijn. Wat van mijzelf is, is de inhoud.''

,,Toneelschrijver, dat kun je niet worden: dat bén je'', zegt Albee. ,,Je moet het oor van een componist hebben én wat te zeggen hebben. Ik ben gaan toneelschrijven uit onvrede met de wereld. Het is absurd, dat zoveel mensen genoegen nemen met een gedachtenloos leven. Ik wil dat ze nadenken en daarom schrijf ik onprettige stukken, die pijn doen. Ik heb niet het gevoel, dat mijn werk nu beter begrepen wordt dan veertig jaar geleden, toen ik onderdeel uitmaakte van de avantgarde, eerder het tegendeel. Daarom ga ik door met schrijven. Broadway en Hollywood vervlakken de geest, ze produceren geen amusement, maar leeg amusement. Je hoeft Shakespeare of Molière maar te lezen om te weten dat amusement niet zonder betekenis hoeft te zijn.''

Mitchell:,,We zijn allemaal ziek, het zijn onze neuroses die ons gaande houden. Mijn personages zijn in psychologisch opzicht realistisch, alleen de situatie waarin ik hen plaats, is absurd. Precies wat het leven met ons doet, dus.''

Albee: ,,Mijn werk past in geen enkele traditie. Ben ik een naturalist? Een absurdist? Een surrealist? Een modern, American playwright? Ja, dat laatste, maar vooral omdat het niets zegt over mijn stijl. De waarheid achterhalen doe ik op wat voor manier dan ook.''

The Zoo Story van Edward Albee en Old Friends van Earl Douglas Mitchell. Regie: Edward Albee. Spel: Leslie de Gruyter en Victor Löw. Te zien in Nieuwe de la Mar Theater, Amsterdam, t/m 10 okt, daarna tournee t/m 8 dec. Inl. 0900-0191.