Roemenië: géén verzoening in Verzoeningspark

In het Roemeense Arad moet een park de wil tot samenwerken van de Roemenen en de Hongaarse minderheid symboliseren. De inwijding werd een flop die die samenwerking alleen maar schaadt.

De geschiedenis is de leugen waarover historici het eens worden, heeft Voltaire gezegd. Problemen ontstaan als historici het niét eens worden.

Na de revolutie die eind 1989 in Roemenië een eind maakte aan het regime van Nicolae Ceausescu, vond even een toenadering plaats tussen de Roemenen en de Hongaarse minderheid. Maar al snel week die verzoening weer, toen de toenmalige premier Petre Roman de beloften aan de Hongaren aan zijn laars lapte. Sindsdien is het tussen de Roemenen en de Hongaren niet goedgekomen, ook al hebben beide landen in 1996 in hun `basisverdrag' hun relaties geregeld en is de politieke partij van de Hongaarse minderheid lid van de in Boekarest regerende coalitie: er wordt, coalitie of geen coalitie, heel wat afgeruzied.

Gisteren werd in de Roemeense stad Arad een Verzoeningspark (of Vriendschapspark) geopend. Het park moet de wil symboliseren van de Roemeense en Hongaarse gemeenschappen om samen te werken. Het park moet worden opgesierd met het standbeeld voor dertien generaals uit het Hongaarse leger, die op 6 oktober 1849, gisteren honderdvijftig jaar geleden, na de mislukking van de Hongaarse opstand van 1848-49 tegen de Habsburgers, door de Oostenrijkers in Arad werden geëxecuteerd. Op diezelfde 6de oktober 1849 executeerden de Oostenrijkers in Boedapest ook de eerste Hongaarse premier, graaf Batthyány.

Het achttien meter hoge standbeeld was in 1890 in Arad opgericht toen de Habsburgers er weliswaar nog de dienst uitmaakten maar Hongarije zich inmiddels vergaande autonomie binnen de dubbelmonarchie had bevochten en zijn eigen helden kon eren. In 1924 werd het standbeeld omvergehaald, want toen lag Arad in Roemenië, en het eren van Hongaarse generaals was geen Roemeens beleid. Het standbeeld verdween, tot dit jaar, in het militair museum. De afgelopen jaren hebben de Hongaren gepleit voor het herplaatsen van het monument.

De inwijding van het park moest gisteren worden bijgewoond door de Roemeense premier, Radu Vasile, en zijn Hongaarse ambtgenoot, Viktor Orbán. Op het laatste moment liet Vasile het evenwel afweten, want inmiddels hadden de Roemeense oppositiepartijen – Ion Iliescu`s ex-communisten en de ultra-nationalisten ter rechterzijde – en diverse regeringspartijen (waaronder die van Petre Roman) betoogd dat die dertien helden van de Hongaarse opstand van 1848 niet de eer van Vasile's aanwezigheid verdienden. Volgens oppositieleider Nastase had het standbeeld een ,,diep anti-nationaal karakter'' en volgens Corneliu Vadim Tudor, leider van een van de ultra-nationalistische partijen in Roemenië, hadden die generaals tijdens de opstand van 1848 zelfs veertigduizend Roemenen vermoord. Vasile kreeg een telefoontje van Iliescu en een brief van Roman en ging om: hij zei af voor Arad en wees voor de plechtigheid zijn minister van Justitie, Stoica, als plaatsvervanger aan. Waarop ook zijn Hongaarse collega Orbán besloot niet naar de inwijding te gaan. Hij stuurde zijn vrouw en de Hongaarse minister van Justitie. Uiteindelijk kwam gisteren ook Stoica, zonder opgaaf van redenen, niet opdagen in Arad. Weg verzoening. En weg ook het idee dat Roemenië met het basisverdrag van 1996 en het aantreden van de democraten in hetzelfde jaar werkelijk een streep heeft gezet onder het nationalisme en het anti-hervormingsbeleid van Iliescu c.s. ,,Politiek is smerig en miserabel'', verzuchtte president Constantinescu al in maart van dit jaar.

Zo leidde een baanbrekend initiatief tot verzoening opnieuw tot polemiek en een bittere nasmaak. Weer blijkt dat de geschiedenis bestaat uit aanspraken die worden geponeerd en bestreden met allerhande feiten. Wie wanneer wat heeft gedaan betekent soms weinig, tenzij men weet wie het zegt. Voor de Hongaren waren die dertien generaals martelaars en helden, voor de Roemenen (althans de extremisten onder hen) waren ze schurken. Net zoals de Kroatische generaal Josip Jelacic, die in 1848 namens de Habsburgers de Hongaarse opstand neersloeg, voor de Hongaren een beul was en voor de Kroaten een held, hun grootste zelfs, naar wie ze het centrale plein van Zagreb hebben genoemd en die ze op hun sokkels en op hun bankbiljetten zetten.