Liegende ambtsdragers dienen te vertrekken

In de Zuid-Hollandse bestuurscrisis ging het om drie affaires: het bankieren, de geheimhouding en de ontkenning toen deze zomer de zaak in het honderd liep. De liegende ambtsdragers hebben het vertrouwen in het openbaar bestuur ondermijnd, meent Wim Derksen.

De kruitdampen in Zuid-Holland zijn opgetrokken. De commissaris van de koningin en drie gedeputeerden hebben hun ontslag aangeboden. Het is tijd voor een eerste terugblik. In feite ging het in de bankiersaffaire om drie affaires, waarin de juridische en de politieke argumenten wel erg door elkaar heen liepen.

De eerste affaire betrof het bankieren zelf. De provincie nam in 1995 het besluit om het kasgeldbeheer te intensiveren. Tot die tijd werd overtollig kasgeld tegen een hogere rente weggezet bij de bank. Men besloot het geld (met een hoger risico) tegen een hogere rente te lenen aan bedrijven. Deze handel verliep zo voorspoedig dat de provincie van banken extra geld ging lenen. Vanzelfsprekend rekenden banken bij een (naar het leek) betrouwbare instelling als een provincie een lager percentage dan de provincie bij risicodragende leningen aan bedrijven kon terugverdienen. De provincie maakte dan ook een aardige winst, totdat één van de bedrijven (Ceteco) dreigde om te vallen.

Op zich is het een provincie niet verboden om zo te handelen. De formele regelingen bieden daartoe de ruimte. Wel was de provincie verplicht alle geldleningen te melden aan het ministerie, hetgeen zij op een enkel geval na geheel verzuimde. Met dit laatste is het ministerie niet vrijgepleit. Uit de jaarrekeningen van de provincie was immers op te maken dat er extra inkomsten waren. Ten onrechte gingen de bellen op het ministerie niet rinkelen. Formeel gaan in deze affaire dus provincie én ministerie niet vrijuit, hoewel bankieren formeel niet verboden is. Formeel valt ook de ambtenaar treasury (op grond van de door commissie-Van Dijk gepresenteerde feiten) weinig te verwijten. Hij deed wat zijn superieuren hem opdroegen en niemand is verplicht om een klokkenluider te zijn.

De politieke beoordeling valt anders uit. Met name is de concurrentievervalsing voor mij een belangrijk argument tegen bankierende provincies. Wellicht zullen anderen een andere politieke afweging maken. Voor- en tegenstanders van bankieren zullen het over één ding eens zijn: als je het doet doe het dan goed. Het besluit tot bankieren en de motivatie daarvoor van Zuid-Holland roepen slechts gêne op. En zou er één bank zijn die het bankieren aan één ambtenaar overlaat? Dit was amateurisme ten top, in de slechte betekenis van het woord.

De tweede affaire betreft het besluit van Gedeputeerde Staten om te gaan bankieren. Hier werd niet alleen ten onrechte besloten tot vertrouwelijkheid, maar handelden GS in strijd met eerdere besluiten van Provinciale Staten. Om die reden noemde de commissie-Van Dijk het besluit `onrechtmatig, want onbevoegd'. Formeel was het gehele college van GS, inclusief zijn voorzitter, politiek verantwoordelijk voor het besluit. Het provinciebestuur kent immers een collegiaal bestuur (hetgeen betekent dat verantwoordelijkheden worden gedeeld). De herhaalde opmerkingen van de commissaris dat zij niet politiek verantwoordelijk was (te meer daar zij tegen had gestemd) zijn dan ook juridisch onjuist. Het was niet de enige keer dat de commissaris twijfel deed rijzen over haar kennis van het staatsrecht. Daarnaast kende de commissaris een speciale verantwoordelijkheid. Als rijksorgaan heeft zij een toezichthoudende taak en kan zij besluiten van de provincie ter vernietiging voor te dragen bij de Kroon. In dit geval heeft zij dit nagelaten, omdat ze (volgens Van Dijk) niet besefte dat een onrechtmatig besluit was genomen. Het lijkt me een zwaar verwijt. Het was dan ook onduidelijk waarom Van Dijk meende de commissaris uit de wind te moeten houden. (En het was echt ongepast dat de verzachtende woorden voor de commissaris werden gevolgd door een openbare terechtstelling van de ambtenaar treasury.)

Na de formele argumenten speelt ook hier het politieke oordeel. Na de heldere beschrijving van de tweede affaire door Van Dijk kon de politieke afweging niet meer moeilijk zijn. Wie zelf zoveel fouten heeft gemaakt en daarnaast politiek verantwoordelijk is voor zoveel geknoei van anderen, kan niet worden gehandhaafd. In dat opzicht valt te betreuren dat de verantwoordelijken niet eerder hun consequenties hebben getrokken. Waarom moet het toch zoveel moeite kosten om politici van hun verantwoordelijkheden te overtuigen? Waarom die formele redenering dat verantwoording wordt afgelegd tegenover de Provinciale Staten terwijl de burger evenzeer recht heeft op een openbare boetedoening? En waarom dan aftreden vòòrdat de discussie in de Provinciale Staten is begonnen? En waarom moest de commissaris blijven volhouden dat ze niet politiek verantwoordelijk was en dat met name de beeldvorming in de media haar verder functioneren onmogelijk maakte? Alsof ze niet zelf verantwoordelijk was voor die beeldvorming en alsof het vertrouwen van burgers in de politiek niet gebaat zou zijn bij een erkenning van gemaakte fouten. Juist door die ontkenning wordt dat vertrouwen beschaamd.

De derde affaire speelde zich deze zomer af. De provincie had zich blijkbaar niet gerealiseerd dat het bankieren ook mis zou kunnen gaan en werd overvallen door het bericht van een nakend verlies van bijna 50 miljoen gulden. Vanaf dat moment ontrolde zich een beschamende vertoning waarbij de commissaris eerst ontkende iets van bankieren te weten, om vervolgens stap voor stap te moeten retireren. Maar elke erkenning ging weer gepaard met nieuwe leugentjes dan wel juridisch betwistbare stellingen. Hier werd een casus slecht crisismanagement opgevoerd. Bovendien maakte het bestuur de fout om aanvankelijk de schuld bij de ambtenaren te leggen, die niets anders konden doen dan het tegendeel naar de pers te laten lekken. Ook de schorsing van de ambtenaar treasury was een voorbeeld van onhandig opereren, hetgeen niet alleen leidde tot een protestmars van enkele honderden provincieambtenaren, maar ook tot een wel zeer getergde ambtenaar treasury die elke reserve in zijn contacten met de media verder liet varen.

Formeel valt in deze derde affaire het college en de commissaris weinig te verwijten. Politiek daarentegen des te meer. Liegende ambtsdragers blijven lang op het netvlies van burgers achter. Het vertrouwen in het openbaar bestuur is daarmee in het geding. Bovendien werd het toch al bleke imago van de provincies hier ernstig geschaad. Voor dit optreden droeg vooral de commissaris de verantwoordelijkheid. Juist om deze reden deed Van Dijk er fout aan om bij de presentatie van zijn rapport de aandacht te verschuiven van de commissaris naar de andere gedeputeerden. Het was met name de commissaris die bij deze derde affaire aan gezag had ingeboet. En met name door haar optreden in deze derde affaire was haar positie onhoudbaar geworden.

Prof.dr. Wim Derksen is hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.