Leemhuis treft wel degelijk blaam

De commissaris van de koningin in Zuid-Holland houdt ook bij haar aftreden vol dat haar niets valt te verwijten. Maar doordat ze heeft nagelaten het geheimhoudingsbesluit voor vernietiging voor te dragen aan de Kroon, is er wel degelijk plaats voor een verwijt aan haar adres, stelt F. Kuitenbrouwer.

Centraal in de Ceteco-affaire staat een besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland uit oktober 1995. Daarin besloot het college tot het `geïntensiveerde treasurybeheer' dat uiteindelijk tot de debacle zou leiden. Dat besluit was geheim, zodat Provinciale Staten niet werden gewaarschuwd voor het avontuur. Dat besluit vormt ook de kern van de kritiek op commissaris van de koningin Leemhuis-Stout. De Commissie-Van Dijk die de Ceteco-affaire uitzocht, vindt dat de commissaris dit besluit had moeten voordragen voor vernietiging door de Kroon.

Dat is een juiste conclusie. Toch houdt mevrouw Leemhuis ook bij haar aftreden vol dat haar niets valt te verwijten. Zij beroept zich daarbij op een commentaar op het rapport-Van Dijk dat op haar verzoek is opgesteld door advocaat N.S.J.Koeman. Hij is hoogleraar milieurecht en recht van de ruimtelijke ordening aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn advies is echter niet erg overtuigend, omdat het een blinde vlek vertoont voor een volwassen waardering van de bestuurlijke verantwoordelijkheden.

Koeman brengt terecht in herinnering dat Provinciale Staten (PS) van Zuid-Holland al in 1988 het college van Gedeputeerde Staten (GS) een royale machtiging hebben verleend om financiële transacties aan te gaan. De enige grenzen waren ,,de stand van de geldmarkt'' en de ,,liquiditeitspositie van de provincie''. Wel werd een limiet gesteld van 200 miljoen gulden, maar deze gold per saldo. In één keer 1 miljard lenen en 1,2 miljard uitlenen (per saldo 200 miljoen) zou dus geoorloofd zijn, zoals prof. A. Koekkoek onlangs voorrekende in het dagblad Trouw.

GS kregen in 1988 dus nagenoeg de vrije hand, concludeert Koekkoek. Daar komt bij dat het besluit uit 1995 `cryptisch' is, zoals de Commissie-Van Dijk het uitdrukt. Zij noemt dit besluit zelfs voor een niet-ingewijde betekenisloos. Conclusie volgens Koeman: zo'n vaag besluit kan niet gauw in strijd zijn met het toch al ruime besluit van 1988 zodat de slotsom van de Commissie-Van Dijk dat het onrechtmatig genomen is, vatbaar is voor betwisting.

Strijd met het recht is een van de twee gronden die de Provinciewet noemt voor vernietiging van besluiten door de Kroon. De andere is strijd met het algemeen belang. In belang van de provinciale autonomie heeft de regering al bijna tien jaar geleden reeds aangekondigd zeer terughoudend te zullen zijn met het vernietigen van dergelijke besluiten.

Dat was kortom niet direct een aanmoediging voor een kersverse commissaris van de koningin – zoals Leemhuis in 1995 was – om een besluit van GS aan te melden bij de Kroon. Toch lag dat op zichzelf zeker in de lijn. De machtiging uit 1988 was eigenlijk al slordig, zoals Koekoek vaststelt. In plaats van prudent om te gaan met de verleende speelruimte probeerde het college in 1995 de grenzen nog eens op te rekken. Dat mag naar de letter niet onverenigbaar zijn met het eerdere besluit – op zichzelf al geen overtuigende kwalificatie – maar het is evenzeer een verdedigbare stelling dat GS op deze manier het gestelde vertrouwen van Provinciale Staten beschaamden. Het minste was dan ook dit besluit behoorlijk te melden zodat de Staten zich zelf een oordeel konden vormen over het nieuwe avontuur. Maar GS hielden het besluit juist geheim.

Koeman is daar (te) kort over. De commissaris van de koningin kon daar niets aan doen toen het college waarvan zij deel uitmaakte eenmaal had besloten tot geheimhouding. Ze zou zelfs strafbaar zijn geweest als ze het geheime besluit toch had gemeld aan de Staten waarvan zij voorzitter is.

Op deze stelling valt het nodige af te dingen. Tegenover de wettelijke zwijgplicht van de commissaris als lid van het college staat haar eveneens wettelijke opdracht het belang van de provincie te behartigen. Deze plicht noopte in dit geval juist tot spreken. De uitkomst van een conflict van rechtsplichten is strafrechtelijk minder eenvoudig dan de hoogleraar milieurecht het voorstelt. De wet heeft er zelfs een speciale naam voor: overmacht. Dat is de noemer waaronder zorgvuldige euthanasie ondanks een expliciet wettelijk verbod door de strafrechter verregaand is gelegaliseerd.

Zelfs als Leemhuis geen strafzaak had willen riskeren, had ze ten minste het geheimhoudingsbesluit kunnen voordragen voor vernietiging door de Kroon. De Provinciewet voorziet in partiële vernietiging van besluiten. En de opgelegde geheimhouding rammelde aan alle kanten. Om te beginnen voorziet de Provinciewet alleen in geheimhouding van hetgeen in een besloten vergadering van GS wordt `behandeld', plus de daarbijbehorende stukken. Het is begrijpelijk dat de wet het college in staat stelt vertrouwelijk van gedachten te wisselen. Geheimhouding van een besluit met potentieel verreikende rechtsgevolgen is echter van een gans andere orde.

Zo daarvoor al plaats is, bindt de Provinciewet geheimhouding aan de eisen van de Wet openbaarheid van bestuur. Deze erkent het financiële belang van de provincie als grond voor geheimhouding. Maar dat geldt alleen voorzover dit belang niet opweegt tegen andere belangen. Het fundamentele karakter van het belang van kennisneming door Provinciale Staten van het treasury-besluit van 1995 valt moeilijk te ontkennen.

Er was dus een zwaarwegende reden voor Leemhuis dit (deel van het) besluit voor vernietiging aan te melden wegens strijd met het recht. Doordat ze dit heeft nagelaten is er plaats voor een verwijt aan haar adres. De geheimhouding is een belangrijke bron van de latere problemen gebleken. Dat risico was in 1995 te voorzien. Haar besluit af te treden was persoonlijk een hard gelag en verdient uit dien hoofde het respect en de kwalificatie `moedig' die haar van verschillende kanten ten deel zijn gevallen.

Voordat er wordt gezocht naar de nieuwe hoge functie die minister Peper (Binnenlandse Zaken) al direct in het vooruitzicht stelde, dient te worden vastgesteld dat er wel degelijk iets grondig mis is geweest met de ambtsvervulling van deze commissaris van de koningin.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.