Heimwee naar het asfalt

Heuvels, pittoreske dorpen en cypressen: wie van Toscane houdt, kan ook naar de Vaucluse in Zuid-Frankrijk gaan.

De natuur is er prachtig, de wijnen goed en er zijn wandelpaden in over-

vloed. Deel 13 in een serie over wandelen in Europa.

De Vaucluse is een van de drukst begranderandonneede streken van Frankrijk. Maar liefst zes lange-afstandspaden doorsnijden dit groene gebied ten oosten van Orange. In een land waar plattelandstreinen hooguit enkele malen per dag rijden, stations schaars zijn en streekbussen nagenoeg onbekend, biedt dat perspectief voor de geautomobileerde reiziger. Met zoveel wandelpaden op een kluitje valt er altijd wel een rondwandeling in elkaar te flansen die terugleidt naar het voertuig.

De verleiding is groot om een stuk van de Grande Randonnée 4 te volgen, die langs beroemde wijndorpen als Rasteau, Beaumes de Venise, Gigondas en Vacqueyras loopt. Omwille van de helderheid van dit verhaal besluiten we echter ons verre te houden van wijnkelders en proeflokalen, en stippelen een traject uit dwars over het plateau du Rissas, aan de voet van de Mont Ventoux. De plaatselijke VVV blijkt ook op het idee te zijn gekomen om stukken van de GR 4 en de GR 91 aan elkaar te knopen en heeft een routebeschrijving klaar liggen. Geschatte looptijd: 5 uur voor 11 km. ,,Haha, rare jongens, die Fransen'', vinden we 's avonds voor de tent bij een goed glas Côtes du Rhône Villages. ,,Vijf uur voor zo'n kippeneindje, in die tijd lopen we dat stuk drie keer.'' En we schenken nog eens in.

Onder een strakblauwe hemel, waar de laatste ongerechtigheden zijn weggeblazen door de mistral, vertrekken we de volgende ochtend uit Malaucène, een levendig Provençaals dorp, compleet met markt, platanen en zakjes lavendel - kortom een dorp waarvan er meer zijn in de Provence. Al na een paar honderd meter bestaat de wereld uit fruitbomen, lavendelgeur, zoemende insecten, kraaiende hanen en opgewonden honden. We voederen onszelf bij met bramen, blauwe bessen en pruimen die bij de oogst zijn blijven hangen en concluderen intussen dat we nooit meer naar Toscane hoeven: de Vaucluse heeft dezelfde heuvels, dezelfde cypressen, dezelfde schilderachtige dorpjes. Alleen de wijn is anders.

Wie zich na enkele kilometers zachtjes begint op te winden over de vele asfaltpaden bedenke dat er nog zoveel rots, steen en gruis komt dat de wandelaar heimelijk zal terugverlangen naar het asfalt. Die heimwee manifesteert zich in ons geval reeds halverwege de beklimming van het plateau du Rissas, die lang, bloedheet en zwaar is. We ontdekken dat Fransen niet alleen op de autowegen slordig zijn met bewegwijzeren, maar ook op hun lange-afstandspaden. De roodwitte strepen zijn op verschillende plaatsen vervaagd door de elementen, meegesleurd in steenverschuivingen of anderszins zoek geraakt. Echte wandelaars zullen het wel beschouwen als een doodzonde, maar in zo'n geval zijn twee mobiele telefoons uitermate handig: je gaat allebei een kant op en wie het eerst de markering terugvindt, belt de ander. Scheelt toch weer een paar minuten als je je hebt voorgenomen om die 11 kilometer in tweeënhalf uur te lopen in plaats van vijf.

De inspanningen worden beloond met enorme hoeveelheden vlinders, geurige thijm die overal op het plateau groeit en een fenomenaal uitzicht over de Vaucluse: we zien Malaucène, het vertrekpunt, we zien het prachtige Middeleeuwse stadje Le Crestet en honderden fruitboomgaarden die er van boven uitzien als een maxi-moestuin. Op de achtergrond de Dentelles du Montmirail, wier puntige pieken gelijk de afgebroken tanden van een kam uit het landschap steken.

Tijdens de afdaling verdwalen we dankzij een steenverschuiving die de markering heeft weggevaagd. We besluiten de kortste weg naar de bewoonde wereld te nemen: min of meer rechtstandig het plateau af, onder schrikdraad door, dwars door een boomgaard, recht op het gehucht Les Valettes af. Van de overmoedige terminologie van de vorige dag - `kippeneindje, doen we even' - is nog maar weinig over. Bij aankomst in Les Valettes zijn we al drie uur onderweg en het eindpunt is nog niet in zicht. We eten pain de seigle op de koele rand van de voormalige wasplaats, waar een allervriendelijkste zwarte bouvier ons gezelschap houdt. Hier, bij het rustgevend geluid van de dorpspomp, koelen we weer een fiks aantal graden af.

Na een half uurtje nemen we afscheid van de hond en maken we een kleine omweg langs de 12de eeuwse kapel van St. Sépulcre, die volgens de reisboeken `adembenemend mooi' moet zijn. Aan de buitenkant doet de kapel door de zandgele kleur en de primitieve inscripties boven de deur een beetje Egyptisch aan. Hoe adembenemend het interieur is, komen we niet te weten, want de kapel zit potdicht; geen dom idee, vinden we, na lezing van de naar satan verwijzende teksten die in de houten deur zijn gekerfd.

We passeren nog een veldkapelletje, dat net zo dicht zit als de kapel van St. Sépulcre, we komen door Tulières, een verzameling stenen die de naam gehucht niet verdient, we bewonderen de cheminées langs het pad - sterk geërodeerde, metershoge rotsformaties die bizarre vormen hebben aangenomen - en werpen intussen steelse blikken op het horloge: halen we het of halen we het niet? We halen het: exact vijf uur na vertrek uit Malaucène vallen we neer op het dorpsplein. Nooit, nooit, nooit zullen we meer zeggen dat het rare jongens zijn, die Fransen.

Bij de VVV in Malaucène

(vanuit Nederland: tel/fax 0033490652259) is een routebeschrijving verkrijgbaar (in het Frans). Water, stevige wandelschoenen en een hoofddeksel zijn onontbeerlijk voor deze wandeling. Kaarten van lange-afstandspaden in Frankrijk zijn verkrijgbaar bij o.a. Pied à terre, Singel 393,

Amsterdam. Inl. 020-6274455