`Groene' olie kan aardolie vervangen

Door het onder druk `koken' van organisch materiaal (zoals houtafval en gras) kan een olie-achtig vloeibaar materiaal ontstaan, dat aardolie zou kunnen vervangen. In Apeldoorn draait sinds vandaag 's werelds enige installatie op dit gebied.

Vanmorgen heeft minister Jorritsma van Economische Zaken in Apeldoorn een proefinstallatie geopend voor het produceren van olie uit biomassa. De Hydro Thermal Upgrading (HTU) installatie zet plantaardige (rest)stoffen om in vloeibare `biocrude', een vloeibare brandstof, die wat betreft gebruik te vergelijken is met traditionele aardoliebrandstoffen.

De proefinstallatie bij TNO-MEP (Milieu, Energie en Procesinnovatie) is het belangrijkste onderdeel van het grote onderzoeksproject Energie uit biomassa, dat met een budget van 11 miljoen van verschillende ministeries mogelijk is gemaakt. ,,De technologie van HTU kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de Nederlandse doelstellingen voor de productie van duurzame energie uit biomassa,' aldus ir. Jaap Naber, een gepensioneerde Shell-medewerker, ter gelegenheid van de ingebruikname van de installatie. ,,De bij uitstek voor het HTU-proces geschikte biomassa in Nederland komt in potentie overeen met circa 25 Petajoule (PJ; warmte-eenheden) per jaar. Dit is een derde van de overheidsdoelstelling van 75 PJ per jaar voor de productie van energie uit biomassa in 2020.''

De overheid streeft in 2020 naar een bijdrage van 10 procent aan duurzame energievormen (288 PJ) in het jaarlijkse nationale energieverbruik. Biomassa moet daaraan voor een kwart gaan bijdragen.

Naber wees erop dat het nieuwe product kan uitgroeien tot een belangrijke exporttechnologie via zogenoemde joint implementation projecten in ontwikkelingslanden. Joint implementation betekent dat een land als Nederland door te investeren in nieuwe milieutechnologie in ontwikkelingslanden de eigen milieuprestaties verbetert.

Het HTU-project is een gezamenlijk project van Shell Nederland, Stork Engineers & Contractors, TNO-MEP, Biomass Technology Group en Biofuel. Het project loopt tot medio 2000.

Als voeding voor de proefinstallatie kunnen allerlei vormen van organisch materiaal dienen, zoals hout, slib van waterzuiveringsinstallaties, GFT-afval, bietenpulp, bermgras enzovoort. Technisch gezien lijkt de installatie het meest op een groot uitgevoerde snelkookpan. Het materiaal komt onder druk van 180 bar in een reactor, waar een temperatuur heerst van 330 graden Celsius. Binnen circa tien minuten vindt onder deze condities afbraak van de koolstofketens plaats, waarbij zuurstof en koolstof verdwijnen in de vorm van kooldioxide, ongeveer 30 procent van de aangevoerde massa.

Ook kleine hoeveelheden waterstof, methaan en koolmonoxyde komen hierbij vrij. Deze gassen worden verbrand, waarbij de vrijkomende warmte voor het proces dient. Uit de oorspronkelijke massa ontstaat ongeveer de helft aan het eigenlijke product, de biocrude, een niet met water mengbare brandstof met een relatief hoge verbrandingswaarde van 32 tot 36 Megajoule (MJ) per kilo. Ter vergelijking: een kilo ruwe aardolie heeft een calorische waarde van 41,9 MJ. De biocrude is direct te gebruiken als brandstof, bijvoorbeeld voor een dieselmotor om elektriciteit op te wekken. Door verrijking met waterstof, waarbij een verdere verwijdering van zuurstof plaats vindt, kan de biocrude ook dienen als transportbrandstof. Deze veredelde biocrude is ook te verwerken tot LPG, diesel, kerosine of brandstof voor gasturbines.

Het doel van de proefinstallatie, die circa 10 tot 20 kilo droge biomassa per uur kan verwerken, is om betrouwbare ontwerpregels op te stellen ten behoeve van grotere demonstratie en commerciële installaties. De verwachting is dat de opgedane kennis zal leiden tot installaties met een doorzet van 100.000 ton biomassa per jaar, of wel circa 12,5 ton per uur. Dergelijke installaties kunnen van belang zijn bij het oplossen van problemen met organisch afval van de voedingsmiddelenindustrie en de land- en tuinbouw. De lange-termijndoelstelling is het substantieel gebruik van hernieuwbare grondstoffen als duurzame energiebron.

Het project heeft een lange voorgeschiedenis, want naar aanleiding van de oliecrises van 1973 en 1980 was het Shell-laboratorium in Amsterdam al in 1984 met de ontwikkeling van het proces begonnen. Door de lage olieprijzen kwam het proces in 1988 tot een einde. Het project werd weer uit de kast gehaald toen Shell-medewerkers Naber en zijn collega Frans Goudriaan, die aan de wieg van het proces hadden gestaan, na hun pensionering het bedrijf Biofuel begonnen.

Naber: ,,De situatie is sinds de grote milieuconferentie in Rio de Janeiro in 1992 totaal veranderd, met name door de discussie rond het broeikaseffect. Los van het feit of het broeikaseffect reëel is of niet, helpt de zorg rond dit onderwerp ons door de tussenfase heen. Maar het is wel degelijk de bedoeling dat het proces halverwege volgende eeuw op eigen merites levensvatbaar zal zijn.'' Naber verwacht dat tegen die tijd de prijs van biocrude zonder subsidie rond de 20 dollar per vat olie-equivalenten zal liggen, wat overeen zal komen met de dan geldende prijzen voor fossiele brandstoffen, die naar verwachting uiteindelijk weer stijgen.