Examineren

DE ONDERWIJSRAAD wil kinderen op achtjarige leeftijd hun eerste examen laten doen. Dit adviescollege pleit ervoor bij wet vast te stellen wat kinderen van acht moeten weten en kunnen en dat vervolgens ook te toetsen. Bij hun afscheid van de basisschool zouden ze ten tweede male geëxamineerd moeten worden op hun taalvaardigheid en rekenkunde.

De reden voor dit voorstel is helder. Er zijn op dit moment geen objectieve criteria op basis waarvan kinderen beoordeeld kunnen worden. Zelfs de Citotoets, medio jaren zestig bij de Mammoetwet ingevoerd om het afschaffen van het oude `toelatingsexamen' voor de middelbare school te compenseren, is niet verplicht. Elke basisschool kan het onderwijs in grote lijnen naar eigen goeddunken inrichten. Hoewel geen onderwijzer het in zijn hart wil, bestaat de neiging om de normen aan te passen aan de kinderen. Op basisscholen met veel kinderen uit `allochtone' gezinnen worden de eisen voor taal en rekenen daarom nogal eens teruggeschroefd van het wenselijke naar het haalbare niveau. Het gevolg is dat `allochtone' kinderen, die op hun vierde al met een taalleemte binnenkomen, op hun twaalfde met een nog grotere achterstand vertrekken. Daarna is er weinig meer aan deze lacunes te doen. Een verplicht examen zou het tij volgens de Onderwijsraad tijdig kunnen keren.

HET ADVIES van de Onderwijsraad legt de vinger op de zere plek. Het zal niet eenvoudig zijn voor minister Hermans en staatssecretaris Adelmund om te reageren. De ideeën van de raad sporen namelijk niet met het beleid van het departement. Tot nu toe waait daar een hele andere wind. De ,,overheid schrijft niet voor, maar laat ruimte voor interactie'', en ,,publiek ondernemerschap en bestuurlijke netwerkvorming'' zijn trefwoorden waarmee de bewindslieden recent hun eigen beleidsvisie hebben samengevat. Het gaat hun om ,,debat'', niet om ,,ultieme standpunten en nieuwe regels''. Een verplichte toetsing van acht- en twaalfjarige kinderen staat daar haaks op.

De vraag rijst dan ook welke lijn de voorkeur verdient. Want pappen-en-nathouden kan niet meer, nu de problemen in het onderwijs onbeheersbare trekjes beginnen te vertonen. Het is goed om te vertrouwen op het ,,zelfregisserende'' vermogen van onderwijzers en leraren, zoals Hermans en Adelmund stipuleren. Maar elke `zelfregie' is ten dode opgeschreven als de grenzen van het toneel niet worden afgebakend. De Onderwijsraad schetst die in zijn advies.

Ieder kind heeft zijn eigen ontwikkelingsritme, waarvan het tempo niet van tevoren is vast te stellen. Elk examen kan op een verkeerd moment worden afgenomen en dus fnuikend zijn. Eén ding is niettemin onloochenbaar. Debat werkt geen achterstanden weg. Regels daarentegen scheppen ten minste duidelijkheid. Het advies van de Onderwijsraad verdient serieuze aandacht.