Een slecht plan

Veel lezers zullen inmiddels enigszins vertrouwd zijn met de hoofdlijnen van de komende herziening van de Nederlandse inkomstenbelasting. De meer bemiddelden onder hen zullen hebben geprobeerd uit te rekenen welke gevolgen invoering van de door de regering voorgestelde `vermogensrendementsheffing' in concreto heeft. Zij gaan straks 30 procent belasting betalen over een fictief rendement van vier procent van hun netto vermogen. Het netto vermogen valt te berekenen door alle schulden en verplichtingen in mindering te brengen op de waarde van de bezittingen. Wie bijvoorbeeld per saldo een half miljoen gulden bezit, wordt straks geacht een netto rendement van 20.000 gulden te hebben behaald (vier procent van vijf ton) en is daarover met ingang van het jaar 2001 welgeteld 6.000 gulden belasting verschuldigd, ongeacht het werkelijke rendement.

Zowel wie in feite een rendement van acht procent maakten (40.000 gulden) als pechvogels die na aftrek van kosten geen enkele opbrengst van hun vermogen realiseerden betalen volgens de plannen 6.000 gulden, zodra de fiscus heeft vastgesteld dat zij een half miljoen waard zijn. Ontvangen rente, dividend, huur en pacht worden daartegenover volledig belastingvrij en de in sommige kringen gehate vermogensbelasting verdwijnt van het toneel.

Sommige vermogensbestanddelen tellen bij de waardebepaling van iemands vermogen overigens niet mee. Zo blijven de waarde van de eigen woning en het in de eigen zaak gestoken vermogen buiten aanmerking. Ook in de volgende eeuw betalen mensen met een eigen huis belasting over de `huurwaarde' van hun optrek en ondernemers rekenen met de fiscus af over hun werkelijk genoten winst. In de praktijk bestaat de grondslag van de vermogensrendementsheffing vooral uit spaartegoeden, de tweede woning, panden voor de verhuur, effecten en bepaalde verzekeringsproducten, zoals de contante waarde van een kapitaalverzekering. Voor een echtpaar is de eerste ton vrijgesteld.

De regering verdedigt dit systeem, omdat het een eind zou maken aan veel nu in zwang zijnde belastingbesparende constructies. Het zou mede om die reden robuuste inkomsten voor de schatkist genereren. De fiscale plannen genieten de steun van de grote politieke partijen. De VVD koestert de verlaging van het toptarief van 60 tot 52 procent. De PvdA toont zich verlekkerd over de inkomensvooruitgang voor de laagste inkomensgroepen. D66 telt niet mee en de grootste oppositiepartij heeft geen alternatief. De Tweede Kamer is gemaand de voorstellen het komend najaar binnen zeven weken te behandelen.

Dit is om drie redenen een verwerpelijke gang van zaken. Ten eerste zou Nederland zich met invoering van een vermogensrendementsheffing buiten de fiscale werkelijkheid in Europa plaatsen. Op allerlei terreinen – privatisering van overheidsbedrijven, de liberalisering van markten, de afbraak van directe overheidssteun aan bedrijven, de invoering van een gemeenschappelijke munt – geldt als doorslaggevend argument dat deze maatregelen zijn voorgeschreven door de Europese Unie of passen in het streven naar economische eenwording binnen Europa. Bij de omzetbelasting (BTW) en de accijnzen op drank, tabak en benzine is inmiddels sprake van verregaande harmonisatie van de heffingsgrondslag en gelden in heel Europa minimumtarieven. Haaks daarop staan de huidige voorstellen voor een Nederlandse alleengang bij de inkomstenbelasting. Geen enkel ander Europees land kent een vermogensrendementsheffing.

Het is een aanfluiting dat de volksvertegenwoordiging zich in een vloek en een zucht door de complexe voorstellen moet worstelen, die bij nagenoeg alle fiscale deskundigen grote vraagtekens en veel kritiek oproepen, zonder dat een open discussie is gevoerd over alternatieven om een effectieve heffing over vermogensopbrengsten te realiseren.

Andere landen belasten bijvoorbeeld vaak vermogenswinsten, wat veel belastingbesparende constructies onaantrekkelijk maakt. Wie daarop attendeert krijgt van de staatssecretaris een grote mond maar hoort weinig steekhoudende argumenten. Op een inhoudelijk debat schijnt een taboe te rusten.

Het tweede hoofdbezwaar tegen de vermogensrendementsheffing is dat zij door de burgers als uiterst onrechtvaardig zal worden ervaren. In het bovenstaande voorbeeld geniet de ene vermogensbezitter 40.000 gulden opbrengst, de andere niets. Beiden moeten 6.000 gulden aan de fiscus afdragen. Dit zal als grof onrecht worden ervaren.

Uit onvrede met deze uitkomst zullen veel vermogensbezitters het recht in eigen hand nemen en hun spaargeld naar het buitenland brengen of het beleggen in vermogensbestanddelen die niet door de heffing worden getroffen. Dergelijke gedragsreacties zaaien twijfel aan de robuuste opbrengst waarop de bewindslieden van Financiën rekenen.

Ten slotte deugt de timing van de komende operatie niet. In veel commentaren op de jongste miljoenennota is er al op gewezen dat de lastenverlichting met vijf miljard gulden die deel uitmaakt van de fiscale herziening ('smeergeld') waarschijnlijk op het verkeerde moment komt. Consumenten laten het geld rollen, spanningen op de arbeidsmarkt lopen op. Mede als gevolg daarvan heeft Nederland nu de hoogste inflatie binnen euroland. Met een nationale koopkrachtinjectie van vijf miljard gulden dreigt de regering olie op het inflatievuur te gooien, ook al doordat de voorgenomen verhoging van BTW en milieuheffingen ruim 1 procent extra prijsstijging veroorzaakt.

Het zou om de genoemde redenen verstandig zijn wanneer de volksvertegenwoordiging zich niet laat opjagen door de regering. Het is helemaal geen ramp wanneer onze inkomstenbelasting een jaar later op de schop gaat. Dat geeft meer tijd voor broodnodige bezinning of we in Nederland werkelijk op een vermogensrendementsheffing zitten te wachten en kan een dreigende oververhitting van de Nederlandse economie voorkomen.