Billetikkersleen

Zandvoort 1920. Een bescheiden vissersplaats met een vriendelijke bevolking. Ieder kende elkaar wel, vaak via de bekende namen Paap, Kerkman, Zwemmer, Keur, en ga zo maar door.

Een heerlijke plaats voor een kind om zijn jeugd door te brengen. Het strand, de dagelijkse speelplaats. Onbekommerd, je schep achter je aan slepend, altijd vergezeld door het kleine witte hondje (van poppen hield je niet).

Het wijde strand, de rollende golven. Wat zeilscheepjes, waarmee oude Zandvoorters wat bot en schol vingen, om die op het strand aan een kluitje belangstellenden al `mijnend' te verkopen. De garnalenvisser, die met opgestroopte broekspijpen zijn net voorttrekt.

Druk was het strand alleen 's zomers, als het mooi weer was en de Amsterdammers met de tram leven in de brouwerij brachten. Maar als de zomermaanden voorbij waren, was het strand weer breed en was het heerlijk spelen.

Als meisje van zes jaar, alleen dagelijks naar het strand. Alleen, natuurlijk, Zandvoort was zelden of nooit in het nieuws wegens misdaad of zo. De kleine gemeenschap hield strenge controle op ieders doen en laten. Een kind, een meisje nog wel, zomaar alleen buiten laten zwerven? Dat kon gerust. ,,Alleen voor mannen met petten moet je oppassen'', zei mijn grootmoeder eens, ,,want die komen meestal uit Haarlem.'' Wat de Zandvoorters droegen, weet ik niet meer. Veel vrouwen nog wel een witte kanten muts zoals in Volendam, maar veel eenvoudiger, geen gouden spelden. En mantels hadden ze ook niet. `s Winters liepen ze, met een zwarte omslagdoek over hun kleren, te breien in de Kerkstraat. En de mannen?

Eén herinner ik mij goed. Hij woonde in een met planken dichtgespijkerd onderkomen in een achterafstraatje. Hij leefde van de opbrengst van een kleine schaapskudde, die in de duinen graasde. Arm was hij, heel arm, en af en toe stopte men hem wat toe. Zijn kledij? Een oude herenjas die was afgeknipt net boven zijn heupen. Dat vond men bespottelijk en zo kreeg hij de bijnaam `Billetikkersleen'. Nooit zal ik hem en zijn naam vergeten. Dat wij kinderen hem met zijn bijnaam nariepen deerde hem niet, want hij was doof.

Zwervend met mijn kleine hondje ging ik hem eens opzoeken in de duinen. In het duin waar de schapen graasden, zat hij stil gedroogde scharretjes aan een touw te knopen dat hij in de straffe wind ophing, zout werden ze vanzelf wel.

,,Wil je d'r een?'' vroeg hij, ,,pak er maar een af.'' Ik ging naar het touw en probeerde er een visje af te trekken. Het ging niet.

,,Ik heb zulke koude handen'', klaagde ik. Hij pakte mijn handjes en zei toen: ,,Ga maar naar huis en pak twee lepeltjes, dan maak ik wat voor jou.''

Thuis pikte ik twee lepeltjes uit het vaasje en holde weer terug naar Leen. En wat deed hij? Uit zijn zak haalde hij een knot zelfgesponnen grauwe wol van zijn eigen schapen en begon te... breien met de lepeltjes. Het werd een `mitaine'. Vol bewondering keek ik toe, maar helaas, de zon ging onder, het zoeklicht van de vuurtoren uit IJmuiden begon te zwaaien. Zes uur, ik ging naar huis.

's Avonds werd er gebeld. Leen kwam het paar `mitaines' brengen. Plus de lepeltjes.

,,Geef hem maar een sigaar'', zei mijn vader en ik zocht er voorzichtig een uit uit het cederhouten kistje. Met een mooi bandje eromheen.

Billetikkersleen, wat was je een goeierd. En ik jouwde niet meer mee, als mijn vriendinnetjes hem nariepen: ,,Billetikkersleen...''