Biefstukzwam en heksenboter

De meeste Nederlanders weten heel weinig van paddestoelen. Vermoedelijk kunnen zij niet meer dan vijf of zes soorten noemen, met vliegenzwam, eekhoorntjesbrood en cantharel als vaste kern. Bij ons wordt dan ook nauwelijks naar paddestoelen gezocht. De cantharel is, door de luchtvervuiling, zeldzaam geworden. De morielje, die in het voorjaar groeit, is niet gemakkelijk te vinden. Dan blijft er eigenlijk alleen het eekhoorntjesbrood over.

In andere landen, zoals Frankrijk of Rusland, is het bijeenzoeken van een maaltje paddestoelen een populaire bezigheid. Daar is men niet bang voor het `duivelsgebroed', deze `kinderen der duisternis', zoals ze in de Nederlandse folklore bekendstaan.

Toch timmert de Nederlandse Mycologische Vereniging de laatste jaren druk aan de weg. Men deed een fors boekwerk het licht zien waarin bijna 3.500 soorten paddestoelen worden beschreven. Van deze `paddestoelenbijbel' is inmiddels een handzame veldeditie verschenen. De vereniging publiceerde eveneens een speciaal boekje over bedreigde soorten (de `rode lijst'). Van de bijna 2.500 onderzochte soorten komen ruim 1.600 op de rode lijst voor. De aanduidingen VN (verdwenen) of EB (ernstig bedreigd) zijn het bedenkelijkst.

Uit Nederland verdwenen zijn bijvoorbeeld de gewimperde melkzwam, de bloemkoolzwam, de roze amaniet en het purpertrechtertje. Ernstig bedreigd zijn onder andere de avondroodstekelzwam, de satansboleet en de purperbruine aardtong. Daar staat tegenover dat er nu en dan nieuwe soorten worden ontdekt en dat sommige paddestoelen profiteren van bepaalde veranderingen in het beheer van bossen en weilanden.

De namenlijst in de genoemde bijbel is ook de moeite waard wegens de vele nieuw-bedachte Nederlandse namen. Ik vrees dat woorden als kalkwaskorstje, tengere mestinktzwam, tweekleurige fopzwam en zemelige brandplekbekerzwam niet gauw in het alledaagse spraakgebruik zullen worden opgenomen. Maar wat een weelde aan namen! En dan te bedenken dat paddestoelen, die zomaar uit het niets te voorschijn schijnen te komen en daarom altijd tot de verbeelding hebben gesproken, al zulke mooie volkse namen dragen als satansboleet, judasoor, elfenbankje en heksenboter.

Wie oog heeft voor zwammen, zal in een gewoon bos al vele tientallen soorten kunnen ontdekken. Vooral voedselarme wegbermen herbergen een rijke paddestoelenflora. Dankzij het moderne beleid van natuurbeschermers, die het dode hout gewoon in het bos laten liggen, krijgen soorten als berkendoder, donsvoetje en tonderzwam de kans zich verder uit te breiden. De ene soort breekt de strooisellaag af, de andere klampt zich aan houtsnippers vast en een derde parasiteert op levende bomen.

Boswachters en mycologen leiden tegenwoordig overal in het land paddestoelexcursies. Het liefst dwalen zij over de lanen en paden van landgoederen waar de bossen oud en schaduwrijk zijn. Daar heb je nog kans om de fraaie satansboleet en de gladde gordijnzwam te vinden. Of de pruikzwam, een geel kussen met lange stekels dat zich tussen het beukenblad verborgen probeert te houden.

Een paar jaar geleden had ik die zwam inderdaad gezien, op de Velhorst, een Achterhoeks landgoed aan de Berkel. In 1972 werd dit complex van ruim 300 hectare toegevoegd aan de bezittingen van Natuurmonumenten. Ik zag er toen ook het duivelsnaaigaren, een parasiet op heide, waarvan de rode draden als een gehaakt kleedje over de heidestruikjes lagen.

Tussen Warnsveld en Lochem sloeg ik af naar Almen, waar hotel `De hoofdige boer' de herinnering aan de dichter Staring levend houdt, en wist na enig zoeken de toegang tot het landgoed te vinden.

Maar helaas, de pruikzwam was spoorloos verdwenen. Van een boswachter hoorde ik dat die inderdaad het loodje had gelegd. Gelukkig had het gemengde bos van naald- en loofhout nog een paar andere verrassingen in petto. Hoog op een beukenstam bespeurde ik een formatie goudvliesbundelzwammen – bruine hoeden, voorzien van lichte stelen. `Zeldzaam', volgens mijn paddestoelengidsje.

Of neem de bruine, kleverige bobbel, die uitliep in een waaiervormige voet met gele onderkant, die zich aan de stam van een eik had vastgeklampt; ik houd het op een ouder exemplaar van de biefstukzwam, een wondparasiet, die aan eikenhout een mooie donkere kleur geeft. Hij lijkt op de berkenzwam, die wit van onderen is, en op bijna alle dode berken is te vinden.

Heksenboter trof ik ook aan, dat als gele vlekken op berken vastgeplakt zat en soms als een gesmolten kaarsje aan de schors hing. Onderaan vermolmde dennen woekerden de wit-gele bloemkolen van de grote sponszwam. De mooiste vondst was toch wel de (bedreigde) kammetjesstekelzwam, die eruit zag als wit koraal, een naast familielid van de onvindbare pruikzwam.