Bazelende rompen

Wat is het verschil tussen een journalist en een kunstenaar? Een journalist spreekt wel eens commentaar in bij een documentaire waar de beelden niet voor zichzelf spreken. Een kunstenaar vindt het juist vernieuwend om de kijker in verwarring te brengen. Met een kristalhelder commentaar kan hij zich niet vertonen onder de collega's.

Journalistieke documentairemakers bevinden zich in het buitenland – hier zien wel eens iets van met ondertiteling – in Nederland overheersen de kunstenaars. Die willen geen kijkers winnen maar prijzen.

Iedere regisseur waant zich een Michiel van Erp van de serie Leve de Victorie. Die kan zonder de hulp van gesproken commentaar werken. Zijn verhalen lenen zich voor die stijl. Helaas, Zembla wilde dat afgelopen dinsdag ook. Met een verhaal over het Pieter BaanCentrum, waar geestelijk gestoorde verdachten worden onderzocht. Dat is een buitenkansje. Er was een handicap: de verdachten moesten anoniem blijven. Een journalist zou zeggen: jammer, dan moeten we het anders aanpakken. We kunnen die verdachten wel eens laten praten met zo'n videoruitjeszak over hun hoofd, maar er moet ook wat bij. Er is genoeg te vertellen over TBS en Pieter Baan.

Maar er zat een kunstenaar aan de regie en die bracht bijna een uur lang rompen, voeten en achterhoofden van verdachten in beeld die nauwelijks verstaanbaar brabbelden. Ze hadden wanen. Er was een mes kwijt en de hele staf raakte in paniek. De geladen en gespannen momenten kreeg ik slechts half in beeld, zodat ik moest gissen.

Als kijker had ik geen idee hoe dat Pieter Baan Centrum als gebouw er uit ziet, hoe het is ingedeeld, en, wat mij de belangrijkste vraag lijkt: of er wel eens iemand beter wordt. Dat soort vragen was beneden het niveau van de maker en zo bleef het geheel beneden het gebruikelijke niveau van Zembla.

Die avond bracht Net5 op Dossier Dinsdag een betere Amerikaanse documentaire over zwarte minderjarige gevangenen in een Amerikaans huis van bewaring. De verdachten kwamen volledig in beeld. Ze rapten, speelden basketball, zagen er gewoon uit maar het waren geen aardige jochies. Een vrouwelijke functionaris wist hen goede vragen te stellen zodat ik er toch wat van meenam. Voordeel van commerciële tv is dat het geen artistieke pretenties heeft.

Gisteren op Nederland 1 – uiteraard in het holst van de nacht – twee Amerikaanse documentaires achter elkaar. De eerste ging over een succesvol oorimplantaat voor doven. Maar als ik dan minutenlang de ouders in beeld krijg en hun tranen, als ze horen dat hun kind doof is, heb ik al geen geduld meer. Lijkt me vanzelfsprekend dat ouders een doof kind niet prettig vinden. Waar bleef nou dat apparaat? Huphup, opschieten met al die oninteressante beelden van dikke ouders die met hun ongelukkige kind door ziekenhuisgangen waggelen. Die anekdotische aanpak kan zo traag zijn.

Ook de inleiding van Do Parents Matter? over de psychologe Judy Harris duurde te lang. Ik zag haar lang achter de computer zitten, terwijl alles drie keer werd herhaald. Zij schreef een boek over de geringe invloed van ouders op hun kinderen. Een welkome gedachte nu ouders zo druk bezet zijn. Volgens haar vormt de vriendenkring de kinderen.

Pas na een kwartiertje kwam nieuwe informatie: tweelingen die gescheiden leven, lijken toch op elkaar. Wat is dan de invloed van de opvoeding, was de vraag. Wat is dan de invloed van hun vriendenkring, dacht ik. Toch werd het een aardig geheel, met archiefbeelden van historische psychologische experimenten, goed verbonden door commentaar. Kinderen praatten over de hogere, lagere en middengroepen en eenlingen in de klas. Uniek. Dat element alleen al zou hier tot aparte urenlange documentaire worden verheven.

Toch kan ik me niet voorstellen dat iedereen het met Harris eens is. Ik miste de wetenschappelijke kritiek en de weging. Wat moeten ouders nog? Ik erken, het valt niet mee om het goed te doen.