Stedelijk maakt twijfelachtige keuzes

Daar staat-ie dan, in de erezaal van het Stedelijk: Waste van Damien Hirst. Het beeld, dat bestaat uit een glazen bak, gevuld met ziekenhuisafval als operatiemutsen, verbandverpakkingen en papieren lakens, is de nieuwe trots van het museum. Niet alleen is het de laatste grote aankoop van het Stedelijk van deze eeuw, het betaalde er ook 450.000 gulden voor, wat Waste tot een van de duurste aankopen uit de geschiedenis van het museum maakte. Nu is het het pronkstuk van Glad IJs, de expositie waarmee het Stedelijk, aan de hand van de eigen collectie, een overzicht geeft van de kunst van de laatste twee decennia en waarmee het het millennium uitluidt.

Dat het Stedelijk een werk Hirst heeft aangekocht is op zich uitstekend. Hirst is een van de belangrijkste kunstenaars van de jaren negentig en de voorman van de `Brit Art', zo ongeveer de enige geruchtmakende kunststroming van dit decennium. Maar of Waste zelf zo'n gelukkige keuze is valt te betwijfelen. Hirst benadrukt altijd dat zijn oeuvre over leven en dood gaat, `there is nothing else'. Hij werd vooral bekend met werken van dode dieren: schilderijen met vlinders erop geplakt, een glazen bak met daarin een koeienkop die door vliegen wordt opgegeten en een reeks beesten op sterk water. Ook maakte hij installaties met medicijnkasten en richtte hij een restaurant (`The Pharmacy' in Londen) in als apotheek. Die medicijnen passen goed in zijn thematiek; ze markeren de overgang, het schemergebied tussen leven en dood.

Maar daarvan is bij Waste geen sprake. Het werk refereert nauwelijks aan leven of dood, maar slechts een beetje aan ziekte en heel veel aan afval. In het Stedelijk-Bulletin wordt al verontschuldigend gemeld dat Waste `niet gevuld is met medisch afval als injectienaalden en afval uit een operatiekamer, dat zou het werk levensgevaarlijk maken'. Daarmee geeft het museum de zwakte al aan: Waste is niet `levensgevaarlijk', het is een restprodukt, een slappe afleiding van waar het bij Hirst om gaat.

Waste is daarmee wel symbolisch voor de huidige positie van het Stedelijk, zoals die op Glad IJs naar voren komt. Het museum beschouwt zichzelf als deel van de internationale museumelite en voelt dan ook de verplichting de spraakmakende kunstenaars en werken van het moment aan te kopen – maar dat lukt niet meer. Dat blijkt, pijnlijk genoeg, vooral uit de overvloedige aanwezigheid op Glad IJs van Nederlandse kunstenaars als Aernout Mik, Marc Mulders, Marijke van Warmerdam, Rob Birza, Robert Zandvliet, Marlene Dumas, Rineke Dijkstra en Job Koelewijn. Veel van hen zijn belangrijk in Nederland, tellen in het buitenland soms redelijk mee, maar horen niet bepaald tot de kunstenaars die het internationale gezicht van de kunst hebben bepaald – en dat is wel wat Glad IJs pretendeert te tonen. Nationaal gezien is het niveau van hun door het Stedelijk verworven werken wel weer opvallend goed. Van Job Koelewijn kocht het Stedelijk bijvoorbeeld A Balancing Act, een foto waarop we Koelewijn zien in New York, met in zijn handen een enorme stapel dienbladen die een prachtige echo vormen van de wolkenkrabbers erachter.

Pijnlijk wordt Glad IJs vooral waar het de internationale bijdragen betreft. Als we de tentoonstelling mogen geloven is de internationale kunst de afgelopen twee decennia slechts in vier landen gemaakt: Nederland, Duitsland, Engeland en Amerika – op de meer dan zeventig kunstenaars op Glad IJs komen er niet meer dan vijf niet uit die landen. Daar zitten diverse grote namen bij, zoals Cindy Sherman, Georg Herold, Walter Dahn, Andreas Gursky en Jessica Stockholder. Maar veel verband is er tussen hen niet te vinden, net zomin als er veel verband te bespeuren valt tussen hen en de vele Nederlanders.

Ook vanuit kunsthistorisch perspectief is Glad IJs een zwakke tentoonstelling. Hoeveel stromingen er de afgelopen decennia ook geweest zijn (Transavantguardia, graffiti, Neue Wilden, postmodernisme, videokunst, Brit Art) op Glad IJs is er geen enkele overtuigend vertegenwoordigd, misschien met uitzondering van het postmodernisme. Het meest overtuigende zaaltje is in ieder geval dat waarin de jaren tachtig-kunst van Rob Scholte, Peer Veneman, Peter Halley, David Salle en Jeff Koons bij elkaar is gebracht. Hun werken vullen elkaar aan en stuwen elkaar op, zodat je alle werken in het zaaltje beter begrijpt – maar het is een uitzondering.

Natuurlijk kan het Stedelijk op zulke kritiek tegenwerpen dat een dergelijke droevige internationale presentatie te wijten is aan geldgebrek. Daar zit zeker iets in; vergeleken bij het aankoopbudget van een privé-verzamelaar als Charles Saatchi of musea als the Tate Gallery of het Centre Pompidou stelt dat van het Stedelijk weinig voor. Maar Glad IJs laat ook zien dat dat niet het enige probleem van het Stedelijk is. Het museum toont geen lef (wat al blijkt uit het feit dat Waste veel te laat en dus veel te duur is aangekocht) en maakt wel erg dubieuze keuzes. Neem de Duitse schilder Günther Förg, zeer prominent aanwezig op Glad IJs, onder andere met een schilderij dat bijna de hele achterwand van de erezaal vult. Uit Glad IJs komt hij naar voren als een belangrijk kunstenaar van de afgelopen decennia, maar zijn doeken geven daar geen enkele aanleiding toe. Het ziet er allemaal vreselijk niksig, ruw en ongeïnteresseerd geschilderd uit. Als toeschouwer vraag je je dan ook vooral af waarom zo'n middelmatige schilder zo'n prominente plaats krijgt toebedeeld.

Dit alles maakt Glad IJs vooral tot een tentoonstelling waarin de benarde positie van het Stedelijk feilloos wordt blootgelegd. Het museum wil de internationale ontwikkelingen volgen, maar moet, zoals blijkt uit de aankoop van Waste, inzien dat het niet meer meekan. En dus blijft alleen de Nederlandse collectie over, die er goed en veelzijdig bijligt. Maar met `internationale allure' heeft dat helaas niet veel meer te maken.

Tentoonstelling: Glad IJs. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Open: dag van 10-17u. T/m 9 jan.