Rijk terughoudend bij controle provinciegeld

Ruim zes miljard gulden geven de provincies samen uit. Het toezicht daarop door het rijk is `terughoudend'. Want dat was het uitgangspunt van de nieuwe Provinciewet ('94): versterking van de bestuurlijke en financiële zelfstandigheid van provincies. Het credo: toezicht achteraf.

Maar wat betekent terughoudendheid in de praktijk? Dat houdt in dat precies twee ambtenaren van Binnenlandse Zaken de controle uitoefenen op het bedrag van ruim zes miljard gulden. Uitgedrukt in volledige banen is het zelfs nog iets minder: 1,8. Dat is 0,09 procent van het totaal aantal ambtenaren dat op Binnenlandse Zaken werkt.

Onlangs schetste minister Peper van Binnenlandse Zaken nog een keer de `repressieve toezichtsfilosofie' van zijn departement: ,,Eigen verantwoordelijkheid van de provincie, vertrouwen in de provincie, volgen op afstand, interventie in het geval van het ontstaan van structurele onevenwichtigheden''.

Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat het ambtenaren van Financiën waren die in oktober 1996 hun collega's van Binnenlandse Zaken tipten dat de provincie Zuid-Holland (budget: één miljard) opmerkelijk veel leende en uitleende. De twee controleurs werden met een kluitje in het riet gestuurd. Een half jaar later kregen ze van de provincie te horen dat er bij het in- en uitlenen absoluut geen sprake was van risico's.

Afgelopen zomer bleek door het faillissement van de handelsonderneming Ceteco dat de provincie Zuid-Holland voor 1,7 miljard gulden aan leningen had uitstaan. Maar de begroting van de provincie was in evenwicht. En dan schrijft de handleiding van het `beleidskader financieel toezicht 1997' het `volgen op afstand' voor van de provincie.