Nieuwe economie is virtual reality

Naarmate de economie virtueler wordt, ziet de reële economie er steeds bedrieglijker uit, menen Luc Soete en Bas ter Weel.

De `nieuwe economie' is in – althans in de discussie. Maar volgens het economenblad ESB is de opmerkelijke economische groei niet het gevolg van het gebruik van ICT maar is deze het gevolg van toenemende arbeidsparticipatie door vrouwen en de binnenlandse consumptiedrift. Volgens minister Jorritsma van Economische Zaken is zelfs dromen van de nieuwe economie bedrog. Zolang het debat echter op een bedenkelijk niveau blijft steken, kan weinig zinnigs over het fenomeen van de nieuwe economie worden gezegd.

Het fenomeen `nieuwe economie' (zonder hoofdletters, want van een doctrine is geen sprake) beschrijft in essentie de tendens in de richting van een economisch landschap dat niet langer voornamelijk gebaseerd is op `schaarste' van productiefactoren of op `rivaliteit' van consumptie, waardoor, éénmaal gesleten, een product of dienst opnieuw moet worden geproduceerd. De nieuwe economie is gegrondvest op immateriële productie en consumptie, getypeerd door overvloed aan bijvoorbeeld informatie, waarbij het vergaren en selecteren van de exacte of relevante informatie in zekere zin het nieuwe marktprobleem wordt. Het maakt hierbij uiteindelijk voor de productiekosten geen verschil of het product aan honderd of een miljoen afnemers wordt verkocht.

Informatie- en kennisgoederen of -diensten zijn vanuit dit perspectief niet-exclusief (de aanbieder heeft na verkoop nog altijd de informatie of kennis) en niet-rivaliserend (het feit dat een koper de informatie heeft is niet rivaliserend met een andere gegadigde). Daarnaast worden markten voor informatiegoederen of diensten gekenmerkt door asymmetrische informatie: de verkoper weet wat hij aan de man probeert te brengen, de koper weet veelal niet wat hij koopt. Dit alles leidt tot andere prijsbepalingen: soms zelfs gratis (bijvoorbeeld voice mail, e-mail en de vele Internet-aanbiedingen) en betaald door reclame-inkomsten, biedingsmarkten, captieve of attentiemarkten.

In elk van deze gevallen ontstaan markten die andere karakteristieken hebben, soms, maar niet altijd, uit zichzelf ontstaan, niet altijd optimaal zijn (monopoliewinsten) en grote behoefte hebben aan een eigen juridisch kader en mogelijk nieuwe regelgeving. Wat traditioneel beschreven kon worden als `tweede orde' problemen of marktimperfecties, zijn nu eerder `eerste orde' marktkenmerken. Als gevolg hiervan wordt het juridisch kader waarbinnen deze nieuwe markten worden georganiseerd uitermate belangrijk, zonder dat er a priori een duidelijke maatstaf is om, in Jorritsma's woorden het `juiste juridische en fiscale kader' vast te leggen. Dit geldt zowel met betrekking tot het creëren van exclusiviteit, zoals het vastleggen van intellectuele eigendom, het tegengaan van monopolievorming, als het vastleggen van aansprakelijkheid, privacy en andere regels ter bescherming van de consument.

Op het macro-economisch vlak, en naar gelang het toepassingsveld van deze immateriële activiteiten zich verder verspreidt, kan zich een aantal bijkomende, nieuwe groeimogelijkheden voordoen. De trend naar een meer informatie- en kennisintensieve groei gaat immers niet slechts gepaard met een betere benutting van inputs, inclusief bestaande infrastructuur, toenemende meeropbrengsten als gevolg van netwerkeffecten, maar ook met een sterke toename in de wereldwijde, virtuele verhandelbaarheid van voordien niet-verhandelbare goederen en diensten. Zo redenerend komt men dan ook snel tot een verklaring waarom zich in de nieuwe economie minder traditionele prijsfricties voordoen. Men kan hierbij denken aan de vrij zwartgallige voorspellingen vorig jaar met betrekking tot toekomstige Nederlandse groei, inflatie en loonvorming, zowel van de secretaris-generaal van EZ als van het CPB. Dit valt te verklaren aan de hand van `de voortgezette groei in de VS, in het kielzog hiervan het Europese herstel en de onverminderd krachtige consumptie', zoals minister Jorritsma het stelt.

Feit blijft, dat de groeipotentie van de Nederlandse economie schromelijk is onderschat, omdat werd gevreesd dat traditionele prijsfricties de groei opnieuw zouden afzwakken. Inflatie zelf, met uitzondering van deze sectoren waar echte schaarste heerst (zoals onroerend goed), wordt dan ook in toenemende mate gecorrigeerd door de steeds verder uitdijende invloed van steeds goedkopere en betere informatie- en communicatietechnologie. Vergelijk het met een soort van omgekeerde olieschok die steeds meer koopkracht inhoudt. Veel van deze bijkomende koopkracht blijft echter ongemeten.

Het probleem van het correct meten van de continue kwaliteitsverbeteringen in producten en diensten stelt zich in nog extremere vorm wanneer gekeken wordt naar trends in productiviteitsontwikkelingen als gevolg van de toepassing van ICT in met name de dienstensector, die tegenwoordig meer dan 70 procent van de economie uitmaakt. Traditioneel werd de dienstensector beschouwd als de sector waar productiviteitsstijgingen inherent beperkt waren:naarmate de economie meer en meer gedomineerd werd door diensten zou dan ook de geaggregeerde productiviteitsstijging van een land beperkt worden. De invloed van ICT op diensten heeft echter in de eerste plaats een differentiatie-effect: een toename in soorten dienstverlening, in beschikbaarheid, in variëteit van kwaliteit. ICT beantwoordt vanuit dit perspectief aan de toenemende voorkeur van de consument voor variëteit. Outputcijfers en productiviteitsmetingen bieden hier weinig zo niet geen informatie. Volgens de officiële cijfers is de productiviteit, ondanks de dramatisch toegenomen mogelijkheden om 24 uur per dag te `pinnen', te telebankieren, elektronisch te betalen en te beleggen, in de banksector sinds 1975 niet toegenomen. En de financiële sector vertegenwoordigt nu eenmaal een veel grotere omzet dan de kappersbranche. De focus op productiviteitsontwikkelingen, om empirisch bewijs te vinden voor de nieuwe economie, berust dan ook op een fundamentele miskenning van de onderliggende meetproblemen die zich juist in de dienstensector stellen.

De vraag die zich dan ook opdringt is niet zozeer dat dromen bedrog zouden zijn, danwel dat naarmate de economie virtueler wordt, de materiële, reële economie waarop we al ons beleid voortbouwen, er steeds bedrieglijker uitziet. En dromen in de fysieke wereld is dan misschien wel bedrog, in de virtuele wereld zijn dromen onderdeel van onze welvaart.

Luc Soete en Bas ter Weel zijn respectievelijk hoogleraar Internationaal Economische Betrekkingen en onderzoeker, verbonden aan het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology van de Universiteit Maastricht.