Machinaal, strak en onleefbaar

De auto is weer terug in de architectuur. In de vaktijdschriften wemelt het van de artikelen waarin de auto ten voorbeeld wordt gesteld aan architecten. De bouw loopt vele jaren achter bij de fabricage van auto's, is de strekking van deze artikelen. Van auto's bestaan tientallen merken en van al deze merken kunnen verschillende typen worden geleverd. En deze types kennen weer allerlei variaties, al naar gelang de wensen van de koper. Zo ver is het, zeker in de Nederlandse woningbouw, nog lang niet.

Het is niet de eerste keer dat architecten met afgunst kijken naar auto's. Al in de jaren twintig nam Le Corbusier afbeeldingen van auto's op in zijn boeken als voorbeelden van goede, zakelijke vormgeving. Ook Bauhaus-directeur Walter Gropius werd gefascineerd door de auto-industrie, en dan vooral door de autofabrieken van Ford in Detroit, waar auto's voor het eerst aan de lopende band werden gefabriceerd. Zo moesten ook woningen worden gebouwd, vond Gropius.

In de wijk Törten in Dessau, de Oost-Duitse stad waar het Bauhaus van 1925 tot 1932 was gevestigd, kwam Gropius een heel eind met de machinale vervaardiging van woningen. Törten, gebouwd in de jaren 1926-28, is een beetje de Duitse versie van Betondorp, het Amsterdamse experiment in betonbouw. Gropius had voor Törten een bouwsysteem ontwikkeld dat het mogelijk maakte om een woning in minder dan een dag van geprefabriceerde elementen en betonblokken in elkaar te zetten. De lopende band had hier de vorm van een op rails voortbewegende kraan waarmee bouwdelen aan weerszijden van de kraan op hun plaats werden gehesen. Waren de woningen links en rechts van de kraan klaar, dan reed deze een stukje door om aan de volgende te beginnen.

Gropius was trots op de 314 lopendebandwoningen van Törten en maakte er een boekje over. De foto's van de pas opgeleverde wijk in dit boekje laten honderden strenge, eendere Existenzminimum-woninkjes zien die strak in het gelid staan. Zoals het hoort bij gebouwen van het Nieuwe Bouwen zijn ze wit, en hebben ze platte daken en strookramen. Op de plattegronden is te zien dat er drie typen woningen in Törten stonden, van het bovenminimale type van 74 vierkante meter tot het echte Existenzminimum-type van 57 vierkante meter.

Het zijn bijzonder eenvoudige woningen. Bij het allerkleinste type komt men direct na binnenkomst via een gangetje in de woonkamer en de woonkeuken die aan de tuin liggen. Een kleine trap naar boven leidt naar de lage slaapkamers, een trapje naar beneden naar de kelder en een wasruimte. Deze ruimtes bevinden zich aan de straatkant. Aan de tuinzijde zit naast de woonkeuken ook nog een stal voor de dieren, want het was de bedoeling dat de bewoners van Törten hun voedsel grotendeels zelf zouden produceren – winkels kende de wijk oorspronkelijk niet. De tuin heeft dan ook, zeker in verhouding met de woninkjes, enorme afmetingen.

Wie met de foto's uit Gropius' boekje in gedachten nu Törten bezoekt, heeft grote kans dat hij de wijk niet vindt. Dit overkwam mij in ieder geval een paar jaar geleden. Ik ging naar het gebied waar volgens de kaart Törten moest liggen en kwam tot de conclusie dat Gropius' lopendebandwoningen de DDR niet hadden overleefd. Toen ik er onlangs weer kwam, bleken Gropius' woningen wel degelijk nog steeds te bestaan. Alleen zijn vrijwel alle huisjes onherkenbaar veranderd. Er zijn in Törten nog maar enkele huizen in originele staat, waaronder dat op Mittelweg 38 waar het Moses Mendelssohn Museum is gevestigd.

Onmiddellijk na de oplevering begonnen de eigenaren van de huizen in Törten hun huizen te verbouwen. Gropius' machinewoningen hadden namelijk nogal wat eigenaardigheden. Gropius nam voor Törten de auto als voorbeeld, maar zoals Ford eens zei dat hij elke kleur auto kon leveren als die maar zwart was, zo bouwde Gropius maar één soort woningen, ongeacht de ligging ervan. Om de bouw met één kraan te vergemakkelijken, zijn de woningen in Törten aan weerszijden van de straten spiegelbeelden van elkaar. Hierdoor zijn aan de ene kant van de straat de woonkamers op het noorden gelegen, aan de andere kant op het zuiden. Eigenaren van noordwoningen hebben meestal de indeling van hun huizen omgedraaid. Verder had Gropius om duistere redenen de strookramen aan de straatkant zo hoog laten maken, dat het onmogelijk was om naar buiten te kijken. Het gevolg van dit bizarre ontwerp is dat vrijwel geen huis in Törten nog de oorspronkelijke strookramen heeft. Ze zijn vervangen door grotere traditionele ramen, die uitzicht op de straat bieden.

Maar hierbij lieten de bewoners van Törten het niet. Ze hebben bijna alles aan hun huizen veranderd wat er te veranderen valt. Deuren, ramen en buitenlampen bestaan er daarom in grote variëteit en heel ijverige bewoners hebben zelfs hun huis bekleed met gele bakstenen, met leisteen of met een ander materiaal.

Gropius zou zich bij het zien van zijn machinewijk omdraaien in zijn graf. Verdwenen is de strenge herhaling van de eendere woninkjes. De bewoners van Törten hebben zich ontworsteld aan de dictatuur van de machine. In Törten blijkt dat de auto helemaal niet als voorbeeld hoeft te dienen voor de architectuur: als bewoners maar de ruimte hebben om zelf aan de slag te gaan, zorgen ze zelfs in de meest eenvormige wijken voor de nodige variatie.