Onderwijs moet weer uitdagend worden

Het kan geen krantenlezer zijn ontgaan dat er iets mis is met het Nederlandse onderwijs. De basisvorming is een fiasco, het studiehuis een chaos, het HBO wil fuseren met universiteiten die al decennia in een identiteitscrisis verkeren, en klassenverkleining op basisscholen blijkt onmogelijk doordat er te weinig lokalen zijn.

Je behoeft geen schoolgaande kinderen te hebben om je over dit alles zorgen te maken. Saillant is bovendien het alom bekende feit dat Nederland, een van de rijkste landen ter wereld, procentueel beduidend minder geld voor onderwijs beschikbaar stelt dan de meeste landen die wij beschaafd noemen. En dat terwijl wij het, bij gebrek aan andere natuurlijke rijkdommen dan wind, water en een allengs slinkende gasbel, van onze technische en intellectuele kracht moeten hebben.

Wie met enige aandacht de discussies over het monstrum basisvorming heeft gevolgd, moet vaststellen dat er over en weer weliswaar veel verstandige en minder verstandige argumenten in stelling worden gebracht, maar dat één aspect opvallend onderbelicht blijft, misschien omdat buiten gymnasiale kringen niemand het hardop durft te zeggen: voor de vorming van intellect is de basisvorming niet minder dan een ramp. Twee of drie jaar lang worden intelligente leerlingen een substantieel deel van de week beziggehouden met allerlei activiteiten die in het beste geval heel gezellig, en in het slechtste ronduit stompzinnig zijn. Wat dacht u van toekomstige academici die geacht worden een vergelijkend onderzoek te verrichten naar de prijs van spijkerbroeken?

Ondertussen is degelijk onderwijs in, bijvoorbeeld, grammatica min of meer verdacht geworden, met als gevolg dat geen vijftienjarige een foutloze alinea kan schrijven in welke taal dan ook. Een leerling die weet waar Appelscha ligt en wanneer het christendom is uitgevonden, geldt al gauw als hoogbegaafd. Wie bij docenten in de bovenbouw van het VWO naar het niveau van de leerlingen vraagt, krijgt alleen nog maar cynische antwoorden.

De voorstanders van de basisvorming zullen ongetwijfeld tegenwerpen dat de leerlingen inderdaad minder parate kennis hebben, maar zich in plaats daarvan enkele hoogstbelangrijke vaardigheden hebben eigengemaakt. Ik wil dat graag geloven, het is alleen zo jammer dat je daar nooit wat van merkt. Toegegeven, wanneer een leerling uit de vierde klas van het VWO een bescheiden scriptie moet produceren, ziet het werkstuk er meestal prachtig uit. Hij heeft voorbeeldig met zijn makkers samengewerkt, de tekst is bijna professioneel opgemaakt en gelardeerd met van Encarta en Internet geplukte bijdragen. Zodra je echter gaat kijken wat er staat, blijkt een groot deel van het proza nietszeggend, onleesbaar of ronduit onwaar. In de resterende jaren van het curriculum worden door vermoeide leraren nog heroïsche pogingen ondernomen om de verloren jaren in te halen, maar dat is een druppel op een gloeiende plaat.

Niemand heeft mij trouwens ooit kunnen uitleggen waarom het goed zou zijn dat leerlingen zo vroeg mogelijk met computers in aanraking komen. Iedere sukkel kan binnen een half uur leren hoe Internet werkt. Het vergt daarentegen een jaar of twintig om zover te komen dat je ook kunt beoordelen of wat er op je scherm verschijnt de moeite waard is.

Het is niet alleen de opzet van de basisvorming die niet deugt, ook de randvoorwaarden zijn schandalig, zoals alle deskundigen overigens toegeven. In klassen met 32 kinderen valt zelfs de grootste idealist op den duur terug op beproefde methoden die iedere creativiteit in de kiem smoren. Ook van persoonlijke begeleiding in het studiehuis zal weinig terechtkomen, omdat de docenten er domweg geen tijd voor hebben. Daar komt bij dat de scholen er door gedwongen fusies niet bepaald overzichtelijker op zijn geworden. Kwam het tien jaar geleden nog voor dat een hecht team gestalte gaf aan het onderwijs van klas 1 tot en met 6, tegenwoordig ben je al blij als je de helft van je collega's kent. Bevat die helft ook nog mensen met wie je op onderwijskundig of vakinhoudelijk gebied iets uit te wisselen hebt, dan is dat al bijna een wonder. Van continuïteit tussen basisvorming en Tweede Fase komt daardoor weinig terecht, wat voor de leerlingen hoogst frustrerend is.

Onlangs werd geconstateerd dat er een groot tekort aan leraren klassieke talen is. Dat komt gedeeltelijk doordat er te weinig classici afstuderen, maar ook doordat een academicus zich wel driemaal bedenkt voor hij besluit les te gaan geven. Met salarissen heeft dat niets te maken, want die zijn heel behoorlijk. Het is bovendien een voorrecht aardige kinderen hartstocht voor je vak te mogen bijbrengen en daarvoor nog betaald te worden ook.

Het wezenlijke probleem is dat, althans voor een docent die zijn vak liefheeft, lesgeven steeds minder leuk wordt. In het huidige systeem dreigt de leraar te verworden tot administrateur in een schriftelijke cursus voor leerlingen die van heel veel verschillende onderwerpen bijna niets weten. Willen we academici voor de klas, dan zal het onderwijs intellectueel weer interessant moeten worden. Met Marjoleine de Vos (NRC Handelsblad, 27 september) vermoed ik dat dat niet zal gebeuren, omdat het niemand iets kan schelen.

Piet Gerbrandy is dichter en fulltime leraar klassieke talen.