Met dikke ogen langs de lijn

Wie een kind krijgt, weet dat het voorlopig even is gedaan met de ononderbroken nachtrust. En met uitslapen in het weekeinde. Maar na een paar jaar breken betere tijden aan. Er schijnen kinderen te bestaan die zelf rustig knutselen, terwijl hun ouders nog op een oor liggen, maar veel algemener is dat ze voor de televisie worden geparkeerd, al dan niet met limonade, stukjes appel, een krentenbol en iets anders lekkers. Kinderen blij, kinderprogrammamakers blij, ouders blij - het is een ideale toestand die duurt totdat kinderen laten weten dat ze willen gaan sporten.

Er zijn maar weinig ouders die hier lang over twijfelen. Sporten is gezond, teamsport bevordert de teamgeest en natuurlijk is het goed kinderen een kans te geven zich ook op dit gebied te ontplooien. Voor die toeschietelijkheid moet echter een flinke prijs worden betaald.

,,Toen ik jong was'', vertelt Nicolette Haal (38), ,,zat ik op tennis, turnen en paardrijden. Ik fietste overal zelf naar toe, ook naar de manege, hoewel die ver weg was.'' Haal is lerares Nederlands in Haarlem en heeft vier kinderen: Reinout (11) zit op voetbal en tennis, Silke (9) op hockey en tennis, en Karel (7) en Duco (5) beiden op voetbal en tennis. Reinout heeft talent en traint drie keer in de week, de andere trainen of spelen twee keer per week. ,,De hockeyvelden zijn zo dichtbij dat ze zelf kunnen lopen'', vertelt Haal, maar de rest moet doorlopend worden gehaald en gebracht. Reinout traint op een tijdstip dat er altijd files staan, de anderen kunnen op de fiets. ,,We wonen nu zo centraal, dat het allemaal wel meevalt, maar de sport van de kinderen is voor ons een reden om niet te verhuizen. Dan zou het niet meer te behappen zijn.''

Er moet niet alleen véél worden gereden, het moet ook allemachtig vroeg. ,,Het is helemaal geen uitzondering dat ouders hier op zaterdagochtend om kwart over acht hun kinderen afleveren'', vertelt Fridja van Burink (45). Samen met een andere moeder coördineert zij de activiteiten van een hockeyclub in Heemstede. Als de kinderen `uit' spelen, worden er drie ouders aangewezen om de teams te rijden. Afhankelijk van hun leeftijd spelen ze in heel Noord-Holland, tot Den Helder aan toe. Er zijn dit jaar driehonderd `aspiranten' – kinderen tussen de zes en twaalf – bij de hockeyclub. Ruim vijftig ouders treden op als coaches. Ook de scheidsrechters zijn ouders. En dan zijn er nog de bardiensten en de feesten met Kerst en Sinterklaas.

Waarom zijn ouders zich de laatste decennia zo intensief met de sport van hun kinderen gaan bemoeien? Iedereen die je hierover aanspreekt geeft hetzelfde antwoord: door het verkeer. Het is in Nederland zó druk geworden dat je je kind niet meer zelf durft te laten fietsen. ,,Ik breng ze liever een jaar te lang dan te kort'', zegt Nicolette Haal. ,,Je zou het jezelf nooit vergeven als ze ... nou ja.''

Het verkeer heeft hierdoor tot een nieuwe generatie kinderen geleid, door de Amsterdamse sociologe Lia Karsten toepasselijk de achterbankgeneratie genoemd. Maar al dat gehaal en gebreng heeft ook geleid tot een nieuw cohort ouders: mannen en vrouwen met wallen onder hun ogen die in weer en wind hun kinderen langs de lijn aanmoedigen, terwijl ze stilletjes terugverlangen naar hun bed.