Koele kikkers met een leeg hoofd

Bij de WK wielrennen in Italië rijden de vrouwen vandaag een tijdrit. Morgen fietst de mannelijke elite tegen de klok. Tijdrijden – een kwestie van kracht, souplesse en concentratie.

Tijdrijden is een onderdeel voor fijnproevers. De voorbereidingen op de rollerbank, de laatste zucht op het startschavot, de gestroomlijnde houding op de fiets. Het is een gevecht van mens en machine tegen wind en uurwerk. Goede tijdrijders zijn doorgaans krachtige atleten met een rustig karakter. Ze moeten zich concentreren op het parcours, op de versnelling en op de weersomstandigheden. Sprinters zijn onstuimig. Klimmers zijn avontuurlijk. Zij missen zowel de innerlijke als de uiterlijke kracht van de echte tijdrijders.

Erik Breukink was een geboren tijdrijder, zeggen ingewijden. Als zestienjarige nam hij deel aan een koppeltijdrit voor amateurs in Doetinchem. Hij deed de omstanders versteld staan met zijn souplesse en zijn duurvermogen. Breukink kreeg na afloop van de race meteen een licentie in de hand gedrukt. Hij werd lid van de wielervereniging De Zwaluwen en zou zich in de jaren tachtig ontwikkelen tot een uitblinker in tijdritten. ,,Sinds die ene dag kreeg ik dat predikaat opgespeld'', zegt Breukink.

Met zijn lange benen en diepe houding op de fiets voldeed hij aan de kenmerken van een ideale tijdrijder. Bovendien kon hij met een grote versnelling fietsen en leerde hij de parcoursen uit zijn hoofd. ,,Tijdrijden vergt een bepaalde mentaliteit'', meent Breukink. ,,Je moet een koele kikker zijn die niks anders aan zijn hoofd heeft dan de fiets, de weg en de klok.''

Gerrie Knetemann was geen geboren tijdrijder. Als Amsterdamse stratenmaker fietste hij in de avonduren door weer en wind naar zee en terug. Hij was geen bijzonder talentvolle amateur, maar bleek als beroepsrenner een snelle leerling. Hij besloot zich in de jaren zeventig toe te leggen op de tijdritten. ,,Ik heb mezelf moeten ontdekken. Ik was een ruwe diamant die met heel veel slijpwerk steeds gladder werd.''

Zijn stijl was zeker geen lust voor het oog. Maar zijn zelfvertrouwen en zijn doorzettingsvermogen waren ongeëvenaard. Hij keek veel naar de pedaaltred van Bernard Hinault, met wie hij spannende duels heeft uitgevochten. In de wandeletappes in de Tour kon Knetemann zich dagen vantevoren met de tijdrit bezighouden. Hij at meer dan noodzakelijk en legde alvast een bodempje voor de loodzware inspanning. ,,De tijdrit is een strijd tegen jezelf en tegen je kloten'', weet Knetemann. ,,Je komt onderweg een hoop ellende tegen. De tegenstander zie je pas in de uitslagen.''

Tijdrijden is niet alleen een kwestie van hard fietsen maar vooral van regelmatig rijden. Veel renners kunnen hun krachten niet goed verdelen en komen te laat op gang of krijgen te vroeg een terugslag. ,,Je mag pas na de streep over de rooie gaan'', meent Knetemann. Breukink werd in de Tour van 1991 verrast door een inzinking in een tijdrit. Hij dacht aan `hongerklop', maar bleek later ziek door het bedorven middel Intralipid. ,,Dat is weer een heel ander verhaal'', verwijst hij naar de omstreden praktijken bij PDM.

Volgens Breukink is de verkenning van het parcours een voorwaarde voor succes. Hij noemt als voorbeelden Greg Lemond en Lance Armstrong. Beide Amerikanen legden de basis voor hun Tourzege in een minutieuze voorbereiding. Lemond oefende in 1989 achter een auto en sneed elke bocht in Parijs zo scherp mogelijk af. Armstrong wist afgelopen zomer zonder te kijken waar zijn landgenoot Bobby Julich was gevallen in de tijdrit bij Metz. Armstrong had zijn ploeggenoten nog gewaarschuwd voor deze gevaarlijke afdaling.

Tijdrijders moeten goed inademen om nog beter te kunnen uitademen. Knetemann spreekt over ,,hebberige renners die geen geduld hebben om de rikketik te laten ontspannen''. Tijdrijden is volgens Knetemann ,,zeker geen kwestie van blik op oneindig en verstand op nul''. Hij spreekt over ,,de communicatie tussen geest en lichaam'', en rept over ,,interne feedback''. Als bondscoach probeert hij zijn renners te waarschuwen voor overschatting. ,,Je lichaam neemt je geest vaak in de maling'', zegt Knetemann. ,,Met als gevolg dat de kop te vaak tegen de muur stoot.''

Sommige tijdrijders menen hun lichaamshouding te moeten veranderen, op grond van intuïtie of op basis van onderzoeken in windtunnels. De Fransman Richard Virenque leek aanvankelijk succes te hebben met een `hogere zit', maar kreeg rugklachten. De Nederlander Bart Voskamp ontdekte vorige maand dat hij goed kon tijdrijden en besloot na zijn nationale titel aan zijn fiets te sleutelen. Met als gevolg dat hij zijn ritme kwijt raakte en kostbare tijd verspeelde. Volgens Breukink ,,moet een renner niet onnodig veel van positie veranderen''. Volgens Knetemann is tijdrijden ,,gelukkig geen wetenschappelijke bezigheid''.

Klimmers zoals Michael Boogerd proberen hun tijdritten te verbeteren om zo hun kansen te vergroten in de grote rondes. Daardoor krijgen ze vaak een terugval op hun favoriete onderdeel. ,,Boogerd kan zich beter op het klimmen focussen'', denkt Breukink. ,,Hij is veel te onzeker voor een tijdrit. Je moet een groot zelfvertrouwen hebben.'' Knetemann deelt die mening. ,,Het is de aard van het beestje. Michael heeft een mentaal probleem en kan zich niet een uur van de buitenwereld afschermen.''