Klassieke vorming 2

Wat herken ik mij in de wijze waarop Marjoleine de Vos zich haar gymnasiumtijd herinnert. Onze leraar Grieks, die elk jaar het Maastrichtse Carnavalslied in – op de originele wijs zingbaar – Grieks vertaalde.

Het gemak waarmee ik voor mijn plezier tijdens mijn eindexamenjaar (1955 – ik was alfa) Italiaans leerde; als ik woorden niet kende in de Italiaanse kranten, die je toen al in Maastricht kon kopen (vanwege de `gastarbeiders' in de Limburgse mijnen), zocht ik ze op in mijn Latijnse woordenboek, en in 8 van de 10 gevallen kwam je er prima uit.

Latijn en Grieks mogen dan niet van essentieel nut zijn geweest voor de rest van mijn leven, maar tot op de dag van vandaag heb ik er plezier van bij mijn Engelse, Franse en Italiaanse lectuur; en ook een Spaanse krant is aan mij besteed (ik heb nooit iets met Spaans gedaan).

Belangrijker is het door De Vos vermelde argument dat ,,het zo ontzaglijk leuk is om te zien hoe een taal in elkaar zit''. Hoe kun je in 's hemelsnaam (anders dan al doende in het land zelf) Frans en/of Duits leren, als je geen zinnen kunt ontleden, en niet enig idee hebt van het bestaan en de functie van naamvallen en congruentie in getal en geslacht. Alleen die laatste term al is waarschijnlijk abacadabra voor de huidige middelbare-schoolgeneratie. Inderdaad, het jammerlijkste is: ,,Geen Kamervragen. Geen paniek.'' Dat blijft hopelijk niet zo?